Voertuigen waarvoor de solidariteitsbijdrage verschuldigd is


De berekeningswijze van de solidariteitsbijdrage voor voertuigen wordt toegepast op alle " voertuigen die behoren tot de categorieën M1 en N1 zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 15-3-1968".

Zij worden beschouwd als “gewone voertuigen” waarvoor de solidariteitsbijdrage verschuldigd is.

Voertuigen van de categorie M1 zijn voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwd en hebben ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend. Concreet gaat het om personenauto’s alsmede om voertuigen voor speciale doeleinden, zoals ambulances en gepantserde voertuigen.
De categorie N1 verwijst naar de motorvoertuigen die bestemd zijn voor het goederenverkeer en die een maximale massa van ten hoogste 3,5 ton hebben.

De solidariteitsbijdrage is zowel verschuldigd voor de gewone voertuigen die rechtstreeks als voor diegene die onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld van werknemers.

  • Het voertuig wordt rechtstreeks ter beschikking gesteld van de werknemer indien de bedrijfswagen op naam van de werkgever is gehuurd of gekocht.
  • Het voertuig staat onrechtstreeks ter beschikking van de werknemer indien laatstgenoemde het voertuig weliswaar op zijn/haar eigen naam least, maar de rekeningen direct worden betaald door de werkgever. Eventueel kan de werknemer de kosten van het gehuurde of gekochte voertuig ook achteraf verhalen op de werkgever.

De solidariteitsbijdrage is eveneens verschuldigd ingeval het voertuig ter beschikking wordt gesteld voor het collectief vervoer van werknemers.
Hierop wordt enkel een uitzondering gemaakt onder volgende 2 voorwaarden:

Het gaat om een systeem van vervoer van werknemers overeengekomen onder sociale partners waarin gebruik wordt gemaakt van een voertuig behorend tot

  • de categorie N1 binnen welk, naast de chauffeur, minstens 2 andere werknemers van het bestuur aanwezig zijn gedurende minstens 80% van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur.
  • de categorie M1 binnen welk, naast de chauffeur, gewoonlijk 3 andere werknemers van het bestuur aanwezig zijn gedurende minstens 80% van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur.
  • De werkgever bewijst dat er geen ander privé-gebruik wordt gemaakt van het voertuig.

De solidariteitsbijdrage is ook verschuldigd als het voertuig enkel ter beschikking gesteld wordt voor de woon-werkverplaatsing. Als woon-werkverplaatsing wordt beschouwd de verplaatsing met een gewoon voertuig om zich van zijn woonplaats naar een vaste plaats van tewerkstelling te begeven. Een vaste plaats van tewerkstelling beantwoordt aan beide volgende voorwaarden:

  • de werknemer levert effectief prestaties van enige omvang op die plaats;
  • het voertuig rijdt tijdens het jaar ten minste 40 dagen naar eenzelfde plaats, ongeacht of deze dagen op elkaar volgen of niet. Van zodra de 40 dagen bereikt zijn op één plaats, is de solidariteitsbijdrage verschuldigd voor het ganse jaar (eventueel beperkt tot de periode dat het voertuig ter beschikking gesteld werd, bijvoorbeeld tijdens het jaar aangekocht voertuig).

Worden niet beschouwd als woon-werkverplaatsing de verplaatsing van de woon-plaats naar de werkplaats met een utilitair voertuig. Een utilitair voertuig is een voertuig dat de fiscus kwalificeert als een lichte vrachtauto. Een voertuig met een laadruimte achterin zonder ruiten waarin (wettelijk) geen passagiers mogen vervoerd worden, is bijvoorbeeld een utilitair voertuig. Een voertuig met achterin een passagiersruimte die kan omgevormd worden tot een laadruimte, wordt niet beschouwd als een utilitair voertuig, maar als een gewoon voertuig waarvoor de solidariteitsbijdrage verschuldigd is.