Bedragen betaald bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een werkgever

De voordelen die een werkgever naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsrelatie toekent aan een personeelslid (bijvoorbeeld bij pensionering, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, enzovoort) vinden hun grond in de dienstbetrekking en beantwoorden aan het loonbegrip. Dit betekent dat als een bepaling in de rechtspositieregeling of in de arbeidsovereenkomst voorziet in een vergoeding bij ontslag, deze steeds als loon wordt beschouwd, tenzij ze wettelijk uitgesloten wordt.

Uitgesloten uit het loonbegrip zijn de vergoedingen die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is wegens het niet nakomen van zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen. In het bijzonder worden hier bedoeld de als schadevergoeding betaalde bedragen en de wettelijke vergoedingen die als aanvulling van de verbrekingsvergoeding verschuldigd zijn aan bepaalde categorieën van beschermde werknemers (bijvoorbeeld wegens zwangerschap).

Worden evenwel als loon beschouwd de vergoedingen die verschuldigd zijn naar aanleiding van

  • de onregelmatige beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever;
  • de eenzijdige beëindiging van de arbeidsverhouding voor personeelsafgevaardigden;
  • de éénzijdige beëindiging van de arbeidsverhouding voor syndicale afgevaardigden;
  • de beëindiging van de arbeidsverhouding in gemeenschappelijk akkoord

De vergoedingen die als loon worden beschouwd, worden geacht een periode te dekken die aanvangt de dag na het einde van de overeenkomst. Het aantal maanden van deze periode wordt bekomen door het quotiënt van een deling met als deeltal het bedrag van de vergoeding en als deler het normale bedrag van het loon van de laatste volledige arbeidsmaand. De vergoedingen worden in de DmfAPPL aangegeven met de looncode 130 of 132, en met de prestatiecode 1.