8.5.3.3. Indicatieve codes

Naast de hierboven besproken “gewone” codes, moet u eventueel ook een aantal gegevens met een indicatieve code meedelen.

Aan de hand van deze indicatieve codes weten de verschillende sectoren van sociale zekerheid welke informatie zij zullen ontvangen van de andere sectoren.

Het gebruik van deze codes vermijdt een onvolledige aangifte tijdens het kwartaal en is daarenboven noodzakelijk omdat het de RSZ in staat stelt te zien met welke dagen/uren de werkgever rekening hield bij de berekening van de bijdrageverminderingen.

De aangifte met een indicatieve code gebeurt op dezelfde manier als de aangifte van de andere arbeidstijdgegevens (d.w.z. dus ook in uren en dagen).

De volgende indicatieve codes zijn voorzien:

Het gaat steeds om afwezigheden waarvoor de werkgever geen loon uitbetaalt.
Deze indicatieve codes worden slechts gebruikt voor afwezigheden die niet met een gewone code worden meegedeeld; ieder type van aan- of afwezigheid mag immers slechts met één code worden meegedeeld.

CODE 50 (ziekte of ongeval van gemeen recht)

  • de afwezigheidsdagen ingevolge een ongeval dat geen arbeidsongeval is of een ziekte die geen beroepsziekte is (met uitsluiting van de dagen vergoed met gewaarborgd loon);
  • de afwezigheidsdagen in het kader van een toegelaten arbeidshervatting na een periode van volledige arbeidsonderbreking ingevolge een ongeval dat geen arbeidsongeval is of een ziekte die geen beroepsziekte is (artikelen 230 en 232 van het KB van 3-7-1996);

CODE 51 (moederschapbescherming)

  • moederschapsrust (artikel 39 van de arbeidswet van 16-3-1971):
    • de rustdagen voor het moederschap (het prenataal rustverlof ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling verwacht wordt, en het postnataal rustverlof tot negen weken na de bevalling). Wanneer de bevalling na de voorziene datum plaatsheeft, wordt de duur van het prenataal rustverlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling, zonder dat de duur van het verlof na de bevalling verminderd wordt. Indien de werkneemster haar arbeidsprestaties effectief minder dan de voorziene zes of acht weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum gestaakt heeft, wordt het postnataal rustverlof verlengd met een overeenstemmende termijn.
    • het vaderschapsverlof (voor het resterende deel van de moederschapsrust) om de opvang van het kind te verzekeren bij het overlijden of de hospitalisatie van de moeder tijdens het bevallingsverlof.
  • de dagen van arbeidsonderbreking door een zwangere werkneemster of een werkneemster tijdens de lactatie, die hetzij haar nachtarbeid, hetzij ingevolge de blootstelling aan een risico haar normale arbeid niet kan voortzetten en voor wie het bovendien niet mogelijk is haar andere arbeid te laten verrichten die met haar toestand verenigbaar is. Voor de werkneemster die haar kind zoogt mag deze code evenwel slechts gebruikt worden tot vijf maanden na de bevalling (artikelen 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16-3-1971);
  • onbezoldigde borstvoedingspauzes: schorsing van de arbeidsprestaties van twee halve uren of één uur per volledige arbeidsdag om borstvoeding te geven of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind (artikel 116bis van de gecoördineerde wet van 14-7-1994).

CODE 52 (geboorte- of adoptieverlof)

  • al de door de ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalde dagen voor de geboorte of adoptie van een kind, volgend op de drie door de werkgever betaalde dagen (artikel 30, § 2, en artikel 30ter, § 2, van de wet van 3-7-1978).

CODE 53 (profylactisch verlof))

  • de dagen van arbeidsonderbreking die opgelegd worden ingevolge het contact met een persoon die aangetast is door een besmettelijke ziekte (artikel 239, § 1 van het Koninklijk Besluit van 3-7-1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14-7-1994).

CODE 60 (arbeidsongeval)

  • dagen van arbeidsongeval voor werknemers die ressorteren onder arbeidsongevallenregeling van de privésector, georganiseerd door de wet van 10-4-1971 op de arbeidsongevallen.

CODE 61 (beroepsziekte)

  • dagen van beroepsziekte voor werknemers die ressorteren onder beroepsziektenregeling van de privésector, georganiseerd door de gecoördineerde wetten van 3-6-1970 betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten (enkel te gebruiken voor onthaalouder of kunstenaar).

CODE 70 (tijdelijke werkloosheid andere dan de codes 71 en 72).

CODE 71 (economische werkloosheid)

  • de dagen of daggedeelten waarop geen arbeidsprestaties worden verricht ingevolge gebrek aan werk wegens economische oorzaken (artikel 51 van de wet van 3-7-1978).

CODE 72 (tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer)

  • de dagen van arbeidsonderbreking wegens slecht weer (artikel 50 van de wet van 3-7-1978).

CODE 73 (jeugdvakantie en seniorvakantie)

  • aanvullende vakantiedagen voor jeugdige werknemers (wet van 28-6-1971 – artikel 5);
  • aanvullende vakantiedagen voor werknemers van meer dan vijftig jaar (wet van 28-6-1971 – artikel 5).

CODE 74 (niet geleverde prestaties erkende onthaalouder)

  • fictieve aantal uren die overeenstemmen met voorziene maar niet geleverde prestaties van een onthaalouder, wegens de afwezigheid om redenen buiten zijn/haar wil van kinderen die normaal opgevangen worden (art. 3, 9° en art. 27bis van het KB van 28-11-1969).

CODE 75 (verlof voor pleegzorg)

  • (maximaal zes) afwezigheidsdagen (per jaar) voor pleegouders die van de RVA een dagvergoeding ontvangen voor het verstrekken van pleegzorg (artikel 30quater van de wet van 3-7-1978 en KB van 27-10-2008).

De afwezigheidsdagen ingevolge een gereglementeerde onderbreking van de loopbaan worden niet opgegeven onder een indicatieve code, omdat dit gegeven tot uiting komt op de tewerkstellingslijn.