Het portaal van de sociale zekerheid gebruikt cookies om de site gebruiksvriendelijker te maken.

Meer weten × Doorgaan

Naar de inhoud van deze pagina

Tussentijdse instructies - 2026/3

Inhoud

Geheel of gedeeltelijke sectoruitsluitingen flexi (Opt-outs)

(16/09/2026)

Het koninklijke besluit met de uitsluitingen uit het toepassingsgebied van de flexi-jobs werd gepubliceerd (BS van 9 september 2026) met inwerkingtreding 1 juli 2026.

De uitsluitingen uit het toepassingsgebied van de flexi-jobs reeds opgenomen in de administratieve instructies worden bevestigd. Volgende uitsluitingen zoals van kracht vóór 1 juli 2026 worden eveneens hernomen:

  • de uitsluiting van de flexi-jobregeling voor zover een toegelaten maximumpercentage van het totaal jaarlijks arbeidsvolume van de werkgever wordt overschreden:
    • de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector (PC 331) met als hoofdactiviteit kinderopvang (NACE 88.91)
      • het jaarlijks toegelaten totaal arbeidsvolume aan flexi-jobtewerkstelling bedraagt maximaal 20% van het totaal arbeidsvolume gepresteerd door alle werknemers bij de werkgever
    • werkgevers die niet onder de wet van 5 december 1968 vallen met als hoofdactiviteit kinderopvang (NACE 88.91), gevestigd in Vlaanderen of afhangend van de Vlaamse gemeenschap en gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest
      • het jaarlijks toegelaten totaal arbeidsvolume aan flexi-jobtewerkstelling bedraagt eveneens maximaal 20% van het totaal arbeidsvolume gepresteerd door alle werknemers bij de werkgever
  • onder het totaal jaarlijks arbeidsvolume wordt verstaan: de som van de 'µ (glob)'s' van alle werknemers die bij dezelfde werkgever in dienst zijn, voor alle kwartalen van een kalenderjaar, met inbegrip van de prestaties als flexi-jobber; die 20 % wordt dan getoetst aan:
    • flexi (kw 1 + kw 2 + kw 3 + kw 4)}  /  {(µflexi (kw 1 + kw 2 + kw 3 + kw 4) + µgewone werknemers (kw 1 + kw 2 + kw 3 + kw 4)} =< 0,20.

Doelgroepvermindering oudere werknemers Wallonië

(10/09/2026)

Vanaf 1 juli wordt de maatregel stopgezet en komen nieuwe indiensttredingen niet meer in aanmerking. Er gelden overgangsbepalingen voor de werknemers die reeds in dienst waren en vóór 1 juli 2026 reeds het recht openden.

Dit wil ook zeggen dat volgende alinea met betrekking tot de overgangsbepalingen vanaf 1 juli 2023, moet geschrapt worden: 'Dit wil ook zeggen dat de werknemer die 54 jaar is op 30 juni 2023 (< 55 jaar), pas vanaf 60 jaar het recht op de doelgroepvermindering ouderen opent bij de werkgever waar hij reeds in dienst was vóór 1 juli 2023.'. Dit zou immers kunnen betekenen dat er toch werknemers zouden kunnen zijn die nog het recht voor een 1ste keer gaan openen na 1 juli 2026.

Ter verduidelijking: voor het invullen van de DmfA kan technisch gezien de datum 'begin recht' nooit voorafgaan aan 1 juli 2023, ook al is de werknemer al reeds eerder in dienst.

Voorwaarde flexitewerkstelling in (T) en in (T-3) bij uitzendkantoren

(10/09/2026)

Vanaf 1 juli 2026 werd de mogelijkheid om te flexi-jobben via het uitzendkantoor waar een werknemer reeds als gewone uitzendkracht tewerkgesteld is, versoepeld:

'de voorwaarde dat men niet bij dezelfde werkgever als gewone werknemer én als flexi-jobber mag werken, is vanaf 1 juli 2026 niet meer van toepassing op uitzendkrachten voor zover het uitzendkantoor hen niet aan dezelfde gebruiker ter beschikking stelt als uitzendkracht én als flexi-jobwerknemer'.

Het gaat hier echter enkel om de versoepeling van de voorwaarden in kwartaal (T). Het gaat niet om de versoepeling van de voorwaarden gedurende kwartaal (T-3).

De voorwaarde dat de flexiwerknemer in (T-3) een volume arbeidsprestaties moet geleverd hebben dat ten minste 80 % bedraagt van wat theoretisch mogelijk is in een voltijdse betrekking bij één of meerdere werkgevers, betreft nog steeds prestaties bij een andere werkgever dan de werkgever bij wie hij de flexi-job gaat uitoefenen. De prestaties bij het uitzendbureau waar hij als gewone uitzendkracht tewerkgesteld was in (T-3) tellen dus niet mee in de berekening van het arbeidsvolume voor een tewerkstelling in (T) als flexi-jobber bij datzelfde uitzendbureau, ongeacht de gebruiker bij wie hij als uitzendkracht zou flexi-jobben.

Federale openbare gezondheidssectoren - bijkomend verlof in 2026

(08/09/2026)

Deze tussentijdse instructie is enkel van toepassing op de werkgevers die tot de federale gezondheidssectoren van de openbare sector behoren.

Het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector is belast met de financiering van een aantal maatregelen voorzien in het sociaal akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren 2005-2010. Deze maatregelen houden op geen enkele wijze verband met de toekenning en financiering van de bijkomende tewerkstelling in het kader van de Sociale Maribel.

Dit akkoord is van toepassing op de instellingen van de openbare sector die behoren tot de federale gezondheidssectoren:

  • Ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen en beschut wonen;
  • ROB/RVT en de dagverzorgingscentra;
  • Diensten voor thuisverpleging;
  • Revalidatiecentra;
  • Wijkgezondheidscentra.

In uitvoering van voormeld sociaal akkoord kunnen de personeelsleden van minstens 52 jaar, die in de federale gezondheidssectoren tewerkgesteld zijn en die niet kunnen genieten van de maatregelen inzake eindeloopbaan van het meerjarenplan voor de gezondheidssector, een aantal bijkomende verlofdagen toegekend krijgen in het kader van de maatregel van bijkomend verlof.

De toekenning van het aantal bijkomende verlofdagen is vastgesteld als volgt:

  • 52 jaar: 5 dagen
  • 53 jaar: 8 dagen
  • 54 jaar: 10 dagen
  • 55 jaar: 13 dagen
  • 56 jaar: 15 dagen
  • 57 jaar: 18 dagen
  • 58 jaar: 20 dagen

De leeftijd die in beschouwing genomen wordt, is die bereikt op 1 januari van het jaar waarin de bijkomende verlofdagen zijn voorzien.

De financiële middelen die het Fonds Sociale Maribel ter beschikking van de werkgever stelt, moeten aangewend worden voor de aanwerving van bijkomende werknemers of voor de verhoging van de arbeidstijd van werknemers die reeds in dienst zijn bij uw instelling, om een (gedeeltelijke) vervanging toe te laten van de werknemers die het voordeel van het bijkomend verlof toegekend krijgen.

Het bedrag van de financiële tussenkomst is vastgelegd op maximaal € 36.430,84 op jaarbasis per voltijds equivalent doch is beperkt tot de reële loonkost.

Een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een financiering is dat de werkgever het sociaal akkoord betreffende de federale gezondheidssectoren toepast.

Werkgevers aan wie reeds bijkomende arbeidsplaatsen werden toegekend in 2025 of op een vroegere datum, dienen eveneens het antwoordformulier bij deze tussentijdse instructie in te vullen indien zij verder wensen te genieten van de financiering.

Voor het jaar 2026 zal het Fonds Sociale Maribel de financiële middelen voor de vervangende tewerkstelling verdelen op basis van de gegevens betreffende het totaal aantal bijkomende verlofdagen van de werknemers die het voordeel van de maatregel van bijkomend verlof toegekend krijgen.

De werkgever die onder toepassing van dit sociaal akkoord valt, en de maatregel van bijkomend verlof reeds effectief toepast of de maatregel een eerste keer in het jaar 2026 toepast, en die in aanmerking wenst te komen voor de verdere financiering van de reeds toegekende arbeidsplaatsen of voor de toekenning van (een) bijkomende arbeidsplaats(en), moet het daartoe bestemde antwoordformulier invullen en terug bezorgen tegen uiterlijk 3 november 2026 bij voorkeur per e-mail naar maribel@rsz.fgov.be of per post naar volgend adres:

RSZ
AD VII/ Sociale Maribel  
Victor Hortaplein 11
1060 Brussel    

Het ingevulde antwoordformulier dient ondertekend te worden door de drie representatieve vakorganisaties.

Indien de werkgever niet reageert binnen de vooropgestelde termijn, gaat het Fonds Sociale Maribel ervan uit dat de werkgever afstand doet van zijn recht op een eventuele tussenkomst tot financiering van de vervangende tewerkstelling in het kader van het bijkomend verlof ten voordele van bepaalde categorieën personeelsleden voor het jaar 2026.