Het portaal van de sociale zekerheid gebruikt cookies om de site gebruiksvriendelijker te maken.

Meer weten × Doorgaan

Naar de inhoud van deze pagina

Tussentijdse instructies - 2026/2

Inhoud

Kilometervergoeding woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen

(14/07/2026)

Als gevolg van een tijdelijke aanpassing van de berekeningsmethode voor de kilometervergoeding en de maandelijkse mededeling ervan gedurende het 2de kwartaal 2026, wordt het bedrag van de kilometervergoeding herzien voor de maanden april, mei en juni 2026 (koninklijk besluit van 18 mei 2026 - BS van 26 mei 2026).

Voor de maand juni 2026 wordt het bedrag van de kilometervergoeding, met retroactieve toepassing, vastgesteld op 0,5055 EUR/kilometer (Omzendbrief nr. 770 van 8 juli 2026 - BS van 14 juli 2026).

Kilometervergoeding woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen

(06/07/2026)

De maximale kilometervergoeding voor de woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen bedraagt 0,4440 EUR/km vanaf 1 juli 2026 tot en met 30 september 2026 (omzendbrief nr. 768, BS van 3 juli 2026).

Daarnaast werd er op 16 juni 2026 ook een omzendbrief nr. 767 gepubliceerd met een jaarbedrag van 0,4761 EUR/km wat betreft de kilometervergoeding voor de periode 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

Ter herinnering: de berekening van de respectievelijke kilometervergoedingen is gebaseerd op twee verschillende berekeningen, opgenomen in twee onderscheiden wettelijke bepalingen. Wat de RSZ-vrijstelling betreft, baseert men zich op de berekening per kwartaal (kilometervergoeding voor federale ambtenaren). De kilometervergoeding op jaarbasis wordt echter ook als ernstige norm aanvaard.

Werkgevers die opteren voor de toepassing van het forfaitair systeem op jaarbasis moeten zich daar aan houden voor de volledige periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027; zij kunnen tijdens die periode niet omschakelen naar het forfaitaire kwartaalsysteem. Een eventuele omschakeling naar het forfaitaire systeem op kwartaalbasis voor degenen die het forfait op jaarbasis gebruiken gedurende het 3de kwartaal 2026, kan ten vroegste gebeuren vanaf 1 juli 2027.

Maandbedrag juni 2026

Als gevolg van een tijdelijke aanpassing van de berekeningsmethode voor de kilometervergoeding en de maandelijkse mededeling ervan gedurende het 2de kwartaal 2026, wordt het bedrag van de kilometervergoeding herzien voor de maanden april, mei en juni 2026 (koninklijk besluit van 18 mei 2026 - BS van 26 mei 2026).

Voor de maand juni 2026 werd het bedrag van de kilometervergoeding nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Zodra dit bedrag gepubliceerd is, wordt dit via een nieuwe tussentijdse instructie gecommuniceerd.

De vrijwillige brandweerlieden, de vrijwillige ambulanciers en de vrijwilligers van de Civiele Bescherming

(03/07/2026)

Als gevolg van de overschrijding van de spilindex in de loop van de maand juni 2026, wijzigt het maximum bedrag aan vergoedingen voor 'niet-uitzonderlijke' prestaties toegestaan om vrijgesteld te zijn van socialezekerheidsbijdragen. Vanaf 1 juli 2026 bedraagt het maximum 1.840,79 EUR/kwartaal.

Ter herinnering, de vergoedingen voor 'uitzonderlijke' prestaties die de vrijwillige brandweerlieden, de vrijwilligers van de Civiele Bescherming en de vrijwillige ambulanciers uitvoeren bij de organisaties die hen tewerkstellen, zijn altijd vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen, ongeacht het bedrag van de vergoeding. 

Aanpassing van loonplafonds verminderingen

(03/07/2026)

Als gevolg van een overschrijding van de spilindex in de loop van de maand juni 2026, wijzigen een aantal loonplafonds voor de berekening van bijdrageverminderingen. Dit kan ook een impact hebben op sommige overgangsmaatregelen van de geregionaliseerde verminderingen vanaf 1 juli 2026.

Het grensbedrag voor de doelgroepvermindering kunstenaars is ook aangepast.

Structurele vermindering

Aanpassing van de bovenste loongrens van de lagelonencomponent (S0) en de zeerlagelonencomponent (S2) en aanpassing van de ondergrens van de hogelonencomponent (S1) van de structurele vermindering:

Rcategorie 1 = 0,1400 x (11.687,74 – S) + 0,1600 x (9.738,14S); (algemene categorie)
Rcategorie 2 = 79,00 + 0,2300 x (10.175,11 – S) + 0,1600 x (10.175,11 - S) + 0,0600 x (W - 17.140,06); (categorie sociale maribel)
Rcategorie 3 met loonmatiging = 0,1400 x (12.664,40  S) + 0,1600 x (9.738,14 - S); (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers met loonmatiging)
Rcategorie 3 zonder loonmatiging = 495,00 + 0,1785 x (12.024,07  S) + 0,1600 x (9.738,14 - S). (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers zonder loonmatiging)

Doelgroepvermindering oudere werknemers

  • Brussel: stopzetting van deze doelgroepvermindering vanaf 1 juli 2026 (Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juni 2026 - BS van 26 juni 2026).
  • Wallonië:
    • Plafondbedrag refertekwartaalloon voor nieuwe indienstnames vanaf 1 april 2026: 13.770,00 EUR
    • Plafondbedrag refertekwartaalloon overgangsmaatregel: 18.396,81 EUR

Doelgroepvermindering kunstenaars

  • Algemene regeling/overgangsmaatregelen: 6.700,83 EUR

Werknemersbijdragevermindering herstructurering

  • S0 = 3.895,91 EUR
  • S1 = 5.713,35 EUR

Decava - loonplafonds inhoudingen

(03/07/2026)

Ingevolge een overschrijding van de spilindex in juni 2026 worden de grensbedragen voor de berekening van de maximale inhouding op de aanvullende vergoedingen vanaf 1 september 2026 aangepast.

Grensbedragen na indexering:

(in EUR)

voltijds, met gezinslast

voltijds, zonder gezinslast

halftijds, met gezinslast

halftijds, zonder gezinslast

basisbedrag 1.130,44 938,50 565,22 469,25
vanaf 01-05-2024 2.185,40 1.814,34 1.092,70 907,16
vanaf 01-02-2025 2.229,06 1.850,58 1.114,53 925,29
vanaf 01-01-2026 2.235,30     1.855,77 1.117,65 927,88
vanaf 01-03-2026 2.279,99 1.892,86 1.139,99 946,42
vanaf 01-09-2026 2.325,69 1.930,81 1.162,84 965,40

Flexi-loon - indexering

(03/07/2026)

Ingevolge een indexoverschrijding in juni 2026, bedraagt  vanaf 1 september 2026 het minimumbedrag van het flexi-uurloon 12,11 EUR en het flexi-vakantiegeld 0,93 EUR per uur (totaal dus 13,04 EUR) voor een flexi-job in de horeca.

Voor alle overige sectoren, met inbegrip van de sector van de gezondheidszorg, zal het basisflexiloon minstens gelijk moeten zijn aan het brutobedrag van het baremieke loon dat van toepassing is voor de uitgeoefende functie. Indien er geen baremiek salaris werd vastgelegd, dan moet het minstens gelijk zijn aan het GGMMI.

Voor de horecasector wordt een afzonderlijk maximum ingevoerd: het flexi-uurloon mag er niet meer dan 21,00 EUR bedragen (22,61 EUR inclusief flexi-vakantiegeld). Dit bedrag wordt niet langer uitgedrukt als een percentage van het minimum flexi-uurloon, maar als een vast bedrag dat op dezelfde wijze wordt geïndexeerd als het minimum flexi-uurloon. Vanaf de eerste indexoverschrijding na 1 juli 2026 zal dit maximumbedrag geïndexeerd worden. 

Huisarbeiders - aantal arbeidsdagen

(03/07/2026)

De RSZ aanvaardt dat het aantal arbeidsdagen voor huisarbeiders berekend wordt op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. Als gevolg van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, bedraagt het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen 2.233,61 EUR met ingang van 1 juli 2026.

Aanpassing forfaits gelegenheidsarbeid, met fooien betaalden en zeevissers

(03/07/2026)

Als gevolg van het overschrijden van de spilindex tijdens de maanden mei 2026 (zeevissers) en juni 2026 (gelegenheidsarbeid horeca en met fooien betaalden), wijzigen de betreffende forfaitaire daglonen.

De tabel bevat de dagforfaits die gelden vanaf 1 juli 2026, variërend naargelang de sector, de uitgeoefende functie en de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het kwartaal. De forfaitaire bedragen voor de gelegenheidsarbeid in de land- en tuinbouw en voor de aangestelden toiletten buiten de horeca ondergaan geen wijzigingen ten opzichte van het 2de kwartaal 2026.

Werkbonus - grensbedragen na indexaanpassing

(03/07/2026)

Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er een aanpassing van de loongrenzen en van de maximale verminderingsbedragen voor de berekening van de werkbonus vanaf 1 juli 2026. Vanaf 1 september 2026 worden opnieuw enkele bedragen aangepast.

Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 juli 2026. De uiteindelijke sociale werkbonus is de som van de 2 componenten.

Bedienden (*)

LUIK A (lage lonen) LUIK B (zeer lage lonen)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

≤ 2.937,93

127,54

≤ 2.300,62 171,99

2.937,93 en ≤ 3.336,98

127,54 - ( 0,3196 x (S - 2.937,93))

2.300,62 en ≤ 2.937,93

171,99 - ( 0,2699 x (S - 2.300,62))
3.336,98 0,00 2.937,93 0,00
Arbeiders (**)
LUIK A (lage lonen) LUIK B (zeer lage lonen)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

≤ 2.937,93

137,74

≤ 2.300,62 185,75

2.937,93 en ≤ 3.336,98

137,74 - ( 0,3452 x (S - 2.937,93))

2.300,62 en ≤ 2.937,93

185,75 - ( 0,2915 x (S - 2.300,62))
3.336,98 0,00 2.937,93 0,00

De volgende bedragen gelden vanaf 1 september 2026. De uiteindelijke sociale werkbonus is de som van de 2 componenten.

Bedienden (*)

LUIK A (lage lonen) LUIK B (zeer lage lonen)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

≤ 2.937,93

127,54

≤ 2.300,62 171,99

> 2.937,93 en ≤ 3.403,62

127,54 - ( 0,2739 x (S - 2.937,93))

> 2.300,62 en ≤ 2.937,93

171,99 - ( 0,2699 x (S - 2.300,62))
3.403,62 0,00 > 2.937,93 0,00
Arbeiders (**)
LUIK A (lage lonen) LUIK B (zeer lage lonen)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

S (refertemaandloon
aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

≤ 2.937,93

137,74

≤ 2.300,62 185,75

> 2.937,93 en ≤ 3.403,62

137,74 - ( 0,2958 x (S - 2.937,93))

> 2.300,62 en ≤ 2.937,93

185,75 - ( 0,2915 x (S - 2.300,62))
3.403,62 0,00 > 2.937,93 0,00

(*) Onder 'Bedienden' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 100 %, dus ook bijvoorbeeld arbeiders in de openbare sector.
(**) Onder 'Arbeiders' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 108 %, dus ook bijvoorbeeld kunstenaars.

R wordt rekenkundig afgerond op de dichtstbijzijnde eenheid (Eurocent).

De sociale werkbonus = de vermindering berekend in Luik A + de vermindering berekend in Luik B. 

De eventuele aftopping bij een tekort aan werknemersbijdragen gebeurt op Luik B en vervolgens op Luik A.

Vrijstelling werkgeversbijdrage boven loonplafond - indexering loonplafond

(03/07/2026)

Ingevolge een indexoverschrijding in juni 2026, wijzigt het loonplafond voor de vrijstelling van de werkgeversbijdrage vanaf 1 juli 2026. Voor het deel van het loon onder LC 1 en LC 61 (dus het loon dat rechtstreeks verband houdt met de tijdens het kwartaal geleverde prestaties) dat de loongrens van 88.434,00 EUR/kwartaal overschrijdt, zijn geen werkgeversbijdragen verschuldigd. 

Programmawet van 30 mei 2026

(02/07/2026)

De maatregelen met betrekking tot de RSZ die zijn opgenomen in de programmawet van 30 mei 2026 (BS van 1 juni 2026), zullen verder worden toegelicht in de administratieve instructies voor het 3de kwartaal van 2026. Deze wet voorziet onder meer in de volgende maatregelen:

De nieuwe bijzondere loonmatigingsbijdrage en de voorlopige en de definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage (centenindex)

Deze maatregelen werden reeds opgenomen in de administratieve instructies van het 2de kwartaal 2026.

De eerste alinea wordt voor de duidelijkheid als volgt gewijzigd en aangevuld:

De toepassing van de indexeringsmechanismen wordt tijdens 2 periodes beperkt tot 2% op een begrensd referteloon. Na het bereiken van dit percentage, wordt het volledige referteloon opnieuw geïndexeerd.  Om tijdens de periodes van loonmatiging te bepalen of het referteloon het grensbedrag overschrijdt en het referteloon dus onder de loonmatiging valt, wordt het referteloon beoordeeld op het moment waarop het indexeringsmechanisme wordt toegepast. Er moet steeds gewerkt worden met het effectieve indexeringspercentage dat wordt toegepast voor een bepaalde werknemer. 

Er moet voor elke werknemer steeds gewerkt worden met het indexeringspercentage van het indexsysteem dat geldt voor de werknemers in de onderneming. In principe is dit het door de sector bepaalde indexpercentage ('toepasselijke indexpercentage' genoemd). Indien een sector of een onderneming het 'toepasselijke indexpercentage' via één of ander mechanisme plafonneert of beperkt voor een werknemer of een groep van werknemers, waardoor niet het volledige percentage op het volledige loon toegepast wordt, dan blijft het in aanmerking te nemen indexpercentage voor de toepassing van de centenindex het 'toepasselijke indexpercentage'.

Voorbeeld: toepasselijke indexpercentage in een sector bedraagt 2% op een loon begrensd tot 5.000,00 EUR

  • Werknemer A heeft een loon van 5.000,00 EUR
    • Loon na volledige indexering: 5.000,00 x 1,02 = 5.100,00 EUR
    • Loon na gematigde indexering: 5.000,00 + (4.000,00 x 1,02) = 5.080,00 EUR
    • Te gebruiken in de formule:
      • Indexcijfer = 2% ('toepasselijke indexpercentage')
      • Gematigd geïndexeerd referteloon = 5.080,00 EUR
  • Werknemer B heeft een loon van 10.000,00 EUR
    • Loon na volledige indexering: 10.000,00 x 1,02 = 10.200,00 EUR
    • Loon na beperkte sectoriële indexering: 10.000,00 + (5.000,00 x 1,02) = 10.100,00 EUR
    • Loon na gematigde indexering in het kader van centenindex: 10.000,00 + (4.000,00 x 1,02) = 10.080,00 EUR
    • Te gebruiken in de formule:
      • Indexcijfer = 2% ('toepasselijke indexpercentage')
      • Gematigd geïndexeerd referteloon = 10.080,00 EUR

FAQ-lijst

Een overzicht met voorbeelden en bijkomende toelichtingen is via deze link consulteerbaar.

Pensioenbijdrage 38% voor nieuwe statutairen

Deze regeling is van toepassing op nieuwe statutaire personeelsleden die vanaf 1 juni 2026 in dienst zijn getreden bij federale diensten en instellingen (inclusief HR-Rail, Proximus, Skeyes en Bpost) en een rustpensioen ontvangen ten laste van de staatskas of van het pensioenfonds van de federale politie. 

Federale diensten en instellingen binnen toepassingsgebied

  • de federale wetgevende vergaderingen en de daarmee verband houdende diensten en instellingen;
  • de diensten en instellingen behorend tot het administratief openbaar ambt zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  • het Ministerie van Defensie;
  • de hiervoor nog niet bedoelde instellingen van openbaar nut en openbare instellingen onderworpen aan het toezicht van de federale overheid;
  • de instellingen bedoeld in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  • de hoven en rechtbanken;
  • de Hoge Raad voor de Justitie;
  • de Raad van State en de andere federale administratieve rechtscolleges;
  • het Grondwettelijk Hof;
  • de Federale Overheidsdienst Justitie voor de bedienaars van erkende erediensten en de lekenraadgevers waarvan de wedde wordt gedragen door deze dienst;
  • de federale politie. 

Deze regeling is niet van toepassing op:

  • De diensten van de Gemeenschappen en de Gewesten en de instellingen die afhangen van de Gemeenschappen of de Gewesten;
  • Alle instellingen die aangesloten zijn bij de pool der parastatalen;
  • Lokale besturen.

Worden als nieuwe statutairen gezien:

  • Statutairen die voorheen nog niet werkzaam waren bij de federale overheid en die na 31 mei 2026 als statutair personeelslid bij een federale dienst of instelling in dienst treden;
    • Ook personen die na 31 mei 2026 bij een federale dienst of instelling een stage aanvatten met het oog op een vaste benoeming worden als nieuwe statutairen gezien.
  • Personen die een mandaat opnemen dat inzake pensioenen met een vaste benoeming wordt gelijkgesteld;
  • Personeelsleden die via het systeem van interfederale mobiliteit overgedragen worden van een gewestelijke of gemeenschapsdienst of -instelling naar een federale dienst of instelling;
  • Contractuele personeelsleden van een federale dienst of instelling die na 31 mei 2026 een statutaire benoeming verkrijgen.

Statutairen die reeds op 31 mei 2026 tewerkgesteld zijn binnen een federale dienst of instelling en via een vorm van mobiliteit of enige andere wijze naar een andere federale dienst of instelling overgaan, worden niet beschouwd als nieuwe statutairen. Hetzelfde geldt voor personeelsleden die vast zijn benoemd bij een federale parastatale instelling die aangesloten is bij Pool der parastatalen en via het systeem van de mobiliteit als vast benoemd personeelslid overgaan naar een federale dienst of instelling. Ook de 'Copernicus-managers' vallen buiten het toepassingsgebied van deze maatregel (werknemerskengetallen 673 en 674).

De bijdrage

De bijdrage wordt berekend op de baremieke wedden en op de andere bezoldigingselementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen.

De regeling voorziet in een progressief stijgende minimale werkgeversbijdrage voor het overheidspensioen. Voor alle betrokken statutairen die vanaf 1 juni 2026 in dienst zijn getreden, is deze bijdrage verschuldigd vanaf 1 juli 2026 en stijgt zij geleidelijk volgens de vastgelegde percentages. Voor een statutair die dus in juni 2026 in dienst is getreden, zal het verschuldigde minimale bijdragepercentage vanaf 1 juli 2026 geleidelijk stijgen van 9,50% tot 38,00%. 

Werkgevers die reeds een hogere pensioenbijdrage betalen, blijven deze hogere bijdrage verschuldigd zolang deze bijdrage meer bedraagt dan het minimum dat geldt binnen een bepaalde periode. 

Minimumbijdragepercentage per periode:

  • Vanaf 1/7/2026: 9,50%
  • Vanaf 1/1/2027: 19,00%
  • Vanaf 1/1/2028: 28,50%
  • Vanaf 1/1/2029: 38,00%

DmfA - te vervullen formaliteiten - aangifte nieuwe statutairen in dienst vanaf 1 juni 2026

  • Aangifte juni 2026
    • Huidige werknemerskengetallen statutairen: 675 - 676
    • Gekoppeld aan de huidige pensioenbijdrage: 815
  • Aangifte vanaf het 3de kwartaal 2026 
    • Toepassing van de nieuwe werknemerskengetallen statutairen: 678 - 679
    • Gekoppeld aan de nieuwe pensioenbijdrage: 813

Doelgroepvermindering eerste aanwervingen: wijzigingen vanaf 1 juli 2026

  • Voor de vermindering voor de aanwerving van een 1ste werknemer wordt een nieuw forfait G21 ingesteld op 2.000,00 EUR en dit onbeperkt in de tijd. Dit verminderingsbedrag geldt ook voor reeds lopende verminderingen.
  • Voor de aanwerving van een 4de en een 5de werknemer kan het recht op de vermindering opnieuw geopend worden als aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. 
  • De verminderingen voor de 2de, 3de, 4de en 5de werknemer kunnen gedurende 12 kwartalen toegepast worden binnen een periode van 20 kwartalen.

Overgangsmaatregelen

  • Reeds toegekende verminderingen (vóór 1 juli 2026) voor een 2de en een 3de werknemer blijven doorlopen volgens de regels die golden voor 1 juli 2026.
  • De oude overgangsmaatregelen voor de 4de, 5de en 6de werknemer blijven eveneens doorlopen. Het recht dat geopend werd voor 1 januari 2024 kan nog steeds verder toegepast worden voor de resterende kwartalen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal waarin de werkgever voor het eerst recht had op deze doelgroepvermindering.
  • Afhankelijk van de begindatum van de opening van het recht is de nieuwe of een overgangsmaatregel dus van toepassing.

Het bovenstaande geldt onder voorbehoud van publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad.

Stopzetting van de doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek en stopzetting van de doelgroepvermindering vaste werknemers horeca

Deze doelgroepverminderingen worden vanaf 1 juli 2026 stopgezet. Als het recht op de vermindering collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek vóór 1 juli 2026 werd geopend, kan dit nog verder toegepast worden voor de resterende kwartalen. Voor de doelgroepvermindering vaste werknemers horeca zijn er geen overgangsmaatregelen voorzien. 

Beperking van de vrijstelling werkgeversbijdrage boven loonplafond

Vanaf 1 juli 2026 komen betaalde sportbeoefenaars die het recht openen op de doelgroepvermindering betaalde sporters niet meer in aanmerking voor de vrijstelling van de werkgeversbijdrage boven een bepaald loonplafond (86.700,00 EUR - bedrag vanaf het 2de kwartaal 2026). De berekeningsbasis of het plafond voor andere verminderingen zal voor deze betaalde sportbeoefenaars niet verminderd worden bij overschrijding van het grensbedrag. 

De uitsluiting gebeurt op basis van een aantal combinaties van werkgeverscategorieën en werknemerskengetallen in het bijdragevoetenbestand.

 

Regularisatiebijdrage geneeskundige verzorging en uitkeringen bij beëindiging statutaire betrekking wegens medische ongeschiktheid - update

(26/06/2026)

Als gevolg van het afschaffen van het pensioen wegens medische ongeschiktheid voor statutaire ambtenaren, wordt bij een beëindiging van de arbeidsrelatie van statutaire ambtenaren (ontslag) op basis van medische ongeschiktheid een specifieke berekeningswijze voorzien voor de bijzondere regularisatiebijdrage geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector uitkeringen. De gewezen ambtenaar komt dan immers in het privéstelsel terecht. De bijdrage voor het stelsel werkloosheid is eveneens verschuldigd maar aan de berekeningswijze wijzigt niets. Het gaat om werknemers die als ze de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt hebben, nog geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen. 

Naast voorafgaande re-integratie-inspanningen die vereist zijn om te kunnen overgaan tot beëindiging van het ambt wegens medische ongeschiktheid (de wet spreekt van een 'inruststelling' - wet van 30 mei 2026 - BS van 1 juni 2026), zal de werkgever ook een aanzienlijk hogere financiële inspanning moeten leveren. Het gaat immers om werknemers die aanzienlijk langer nood zouden kunnen hebben aan een uitkering wat met de huidige regularisatiebijdrage voor geneeskundige verzorging, sector uitkeringen bij een klassieke beëindiging van de statutaire betrekking, te belastend zou zijn voor het privéstelsel geneeskundige verzorging en uitkeringen. 

Om daaraan tegemoet te komen en om de werkgevers te responsabiliseren, werd:

  • een procedure uitgewerkt waarbij de werkgever eerst de nodige re-integratie-inspanningen moet doen en die ook moet kunnen aantonen vooraleer kan overgegaan worden tot het beëindigen van het ambt
  • worden de maanden tot aan de pensioenleeftijd in rekening gebracht voor de te berekenen regularisatiebijdrage (en dus niet beperkt tot 12 maanden)
  • wordt een coëfficiënt toegevoegd (responsabiliseringscoëfficiënt) afhankelijk van het aantal maanden tot aan de pensioenleeftijd.

Berekening van de bijdrage

De bijdrage die verschuldigd is, om in aanmerking te komen voor het privéstelsel geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector uitkeringen, wordt berekend over een periode die gelijk is aan het aantal volledige kalendermaanden tussen de datum van beëindiging van het dienstverband en de 1ste dag van de maand volgend op die waarin het personeelslid de leeftijd van 66 jaar bereikt, of de leeftijd van 67 jaar voor personeelsleden geboren vanaf 1 januari 1964. Deze periode mag geenszins korter zijn dan 12 maanden.

Het totale bedrag aan verschuldigde premies wordt vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënt (δ = delta):

  • 1,5 wanneer het aantal volledige kalendermaanden minder dan 120 bedraagt;
  • 1,6 wanneer het aantal volledige kalendermaanden 120 of meer maar minder dan 240 bedraagt;
  • 1,7 wanneer het aantal volledige kalendermaanden gelijk is aan of groter is dan 240.

De berekening gebeurt dus als volgt:

  • de bijdrage voor geneeskundige verzorging en uitkeringen = W x (a + b) x δ met
    • W = laatste activiteitswedde 
    • a = % werkgeversbijdrage geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector uitkeringen (2,35 %)
    • b = % werknemersbijdrage geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector uitkeringen (1,15 %)
    • δ = de (responsabiliserings)coëfficiënt

Het totale bedrag van de verschuldigde bijdragen, berekend volgens de hierboven vermelde formule, mag echter niet hoger zijn dan het bedrag dat overeenkomt met 24 maanden maximale dagelijkse invaliditeitsuitkering op 1 januari van het jaar waarin de functie van het personeelslid wordt beëindigd, toegekend aan de gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen in de zin van de titel IV van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Voor een beëindiging in 2026 is dit: (24 x (26 x 100,72 EUR)) = 62.849,28 EUR.

Opmerkingen

  • De laatste activiteitswedde is de wedde van de betrokkene op het ogenblik van het verbreken van de arbeidsverhouding. Zij bestaat uit de baremieke wedde, vermeerderd met de aan socialezekerheidsbijdragen onderworpen premies, toelagen of vergoedingen die op de maand betrekking hebben (geen eindejaarspremie). Zo nodig wordt deze wedde aangepast aan de wedde van een voltijdse betrekking.
    • met 'voltijdse betrekking' wordt de betrekking bedoeld waarin de ambtenaar benoemd is
    • het gaat om de wedde die de persoon zou hebben ontvangen op voltijdse basis indien hij in de maand van beëindiging effectieve prestaties zou hebben geleverd. 
  • De door de werkgever verschuldigde bijdragen worden aangegeven in het kwartaal waarin de functie van het personeelslid wordt beëindigd.
  • De werknemersbijdragen vallen in principe ten laste van de werkgever. Wanneer echter, krachtens het statuut dat op de betrokkene toepasselijk is, het verbreken van de arbeidsverhouding aanleiding geeft tot het storten van een premie, toelage of vergoeding wegens stopzetting van de arbeidsrelatie of tot een na te komen opzeggingstermijn, zijn de werknemersbijdragen slechts ten laste van de werkgever, indien zij de bijdragen overtreffen die ingehouden kunnen worden op de bedragen die toegekend zijn of op de wedden die gestort worden tijdens de eventuele opzeggingstermijn.
  • De berekening van de regularisatiebijdrage geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector uitkeringen, voor statutaire ambtenaren waarvan de betrekking beëindigd werd om een andere reden dan medische ongeschiktheid, blijft  ongewijzigd.

Overgangsmaatregelen

De oude berekeningsmodaliteiten blijven van toepassing op personeelsleden waarvoor de volgende twee voorwaarden vervuld zijn:

  • Uiterlijk op 27 maart 2026 werd bij de bevoegde medische instantie een ontvankelijke aanvraag tot medische evaluatie van de arbeidsgeschiktheid ingediend.

    • Een ontvankelijke aanvraag is een aanvraag die door de bevoegde medische instantie als volledig werd beschouwd en die vergezeld was van een omstandig medisch verslag overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 oktober 2024 tot regeling van de procedure voor de medische evaluatie van de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaren van sommige overheidsdiensten door het Bestuur van de medische expertise.

  • De bevoegde medische instantie heeft uiterlijk op 31 december 2026 de definitieve lichamelijke ongeschiktheid formeel vastgesteld.

DmfA - te vervullen formaliteiten - overgangsmaatregel

Aangifteblok '90005 - bijdrage ontslagen statutaire werknemers' 

Voor de zone 'reden ontslag' zijn voor ontslagen vanaf 1 juni 2026 twee waarden mogelijk: '0' en '1'.

  • 0 = ontslag om andere redenen dan medische ongeschiktheid, of wegens medische ongeschiktheid maar met toepassing van de overgangsregeling;
  • 1 = ontslag wegens medische ongeschiktheid (overgangsregeling niet van toepassing).

Te vervullen formaliteiten

Een Dimona OUT moet onmiddellijk na het einde van de arbeidsrelatie worden ingediend. Voor het opstellen van de DmfA gelden specifieke regels. Daartoe werden een aantal wijzigingen aangebracht aan het aangifteblok '90005 - bijdrage ontslagen statutaire werknemers' opgenomen in het 'glossarium'

Uitbreiding flexi-jobs

(26/06/2026)

Vanaf 1 juli 2026 wordt het systeem van de flexi-jobs uitgebreid naar de gehele private en publieke sector, rekening houdend met de regels voor de toegang tot beschermde beroepen (wetsontwerp op 18 juni 2026 goedgekeurd door de Kamer). 

Reeds in de loop van juni 2026 kan een Dimona FLX worden ingediend ter voorbereiding van de tewerkstelling van flexi-jobwerknemers vanaf 1 juli 2026 overeenkomstig de nieuwe regelgeving.

Zorgfuncties zijn niet langer uitgesloten voor flexi-jobwerknemers die beschikken over de vereiste diploma's en kwalificaties voor het uitoefenen van de betrokken zorgfunctie. 

Blijven echter uitgesloten:

  • Tewerkstellingen zoals omschreven in de wet van 3 mei 2024 (sekswerk)
  • Artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies  

De mogelijkheid wordt behouden voor de sectoren om een gehele of gedeeltelijke uitsluiting te vragen en nadien opnieuw een gehele of gedeeltelijke toelating. Voor de private sector blijven de bestaande modaliteiten ongewijzigd. Voor de publieke sector wordt daarentegen een specifieke regeling ingevoerd.

Publieke sector - Aanvragen gehele of gedeeltelijke uitsluiting of toelating

Voor de klassieke overheidsdiensten en publiekrechtelijke instellingen bedoeld in artikel 1, §1 en §3, 1° van de wet van 19 december 1974, alsook voor de betrokken autonome overheidsbedrijven, kan een dergelijke uitsluiting worden gevraagd door de bevoegde minister(s). De vraag moet vooraf worden besproken binnen het bevoegde overlegcomité met de representatieve vakorganisaties. Pas na dit voorafgaand sociaal overleg kan de federale overheid de aanvraag in overweging nemen. Een uitsluiting of herinvoering van flexi-jobs wordt vervolgens vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Voor de overheidsdiensten en instellingen die vallen onder artikel 1, § 2, van de wet van 19 december 1974 geldt een gelijkaardige regeling. In dat geval kan de bevoegde bestuursmacht verzoeken om flexi-jobs geheel of gedeeltelijk uit te sluiten of opnieuw toe te laten. Ook hier is voorafgaand overleg met de vakorganisaties vereist overeenkomstig de toepasselijke regels inzake syndicale betrekkingen. De uiteindelijke beslissing wordt eveneens genomen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

  • De vraag tot uitsluiting uit of toelating tot het systeem van de flexi-jobs moet uiterlijk op 30 september aan de RSZ tegen ontvangstbevestiging worden overgemaakt om te kunnen worden opgenomen in het eerstvolgende koninklijk besluit dat op 1 januari van het daaropvolgende jaar in werking treedt. 
  • Voor het jaar 2026 is een gehele of gedeeltelijke uitsluiting of toelating van sectoren mogelijk op kwartaalbasis.
  • Tot uiterlijk 31 augustus 2026 kunnen via een koninklijk besluit gedeeltelijke toelatingen worden omgevormd tot gedeeltelijke uitsluitingen en bestaande gehele of gedeeltelijke uitsluitingen kunnen worden behouden.

Uitgesloten sectoren en functies vanaf 1 juli 2026

  • Dienstboden (PC 323 - werkgeverscategorie 037)
  • Begrafenisondernemers (PC 320 - werkgeverscategorie 320), met uitzondering van de arbeiders die activiteiten zoals die van een gelegenheidswerknemer uitoefenen (en die met de notie ‘E’ worden aangegeven in de zone ‘Extra’ in ‘Tewerkstelling – Inlichtingen’).
  • PC 144 (landbouw - werkgeverscategorieën 193 en 293)
  • PC 145 (tuinbouw), met uitzondering van aanleg en/of onderhoud van parken en tuinen. Concreet zijn de werkgeverscategorieën 194, 494 en 594 uitgesloten.
  • PC 143 (zeevisserij), met uitzondering van het walpersoneel onder werkgeverscategorie 019 en het personeel van de pakhuizen onder werkgeverscategorie 086. De tewerkstelling van flexi-arbeiders is niet mogelijk in de werkgeverscategorie 186 (visveilingen).

Wijzigingen:

  • De begrenzing van 150 % is voortaan niet meer van toepassing op het volledige flexi-loon, maar enkel op het basisloon dat deel uitmaakt van het flexi-loon. Vergoedingen, premies en voordelen toegekend bij wettelijke of reglementaire bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten zijn uitgesloten van de beperking van het flexiloon tot 150 procent van het minimale basisloon.  Overloon, premies voor nachtarbeid of arbeid op feestdagen, eindejaarspremie en dergelijke kunnen dus toegekend worden zonder aan voormelde beperking onderworpen te zijn.
  • Voor de horecasector wordt een afzonderlijk maximum ingevoerd: het flexi-uurloon mag er niet meer dan 21,00 EUR bedragen (22,61 EUR inclusief flexi-vakantiegeld). Dit bedrag wordt niet langer uitgedrukt als een percentage van het minimum flexi-uurloon, maar als een vast bedrag dat op dezelfde wijze wordt geïndexeerd als het minimum flexi-uurloon.  Het minimum-flexiloon (11,87 EUR per uur vanaf 1 maart 2026, 12,78 EUR inclusief flexi-vakantiegeld) blijft behouden.
  • Flexi-jobwerknemers mogen vanaf 1 juli 2026 tewerkgesteld worden bij een verbonden onderneming als deze werknemers reeds bij één of meer andere al dan niet verbonden ondernemingen voltijds tewerkgesteld zijn. De uitsluiting in kwartaal T om als flexi-jobber te werken bij de werkgever waarmee reeds een arbeidsrelatie bestond, blijft behouden.
  • De voorwaarde dat men niet bij dezelfde werkgever als gewone werknemer én als flexi-jobber mag werken, is niet van toepassing op uitzendkrachten voor zover het uitzendkantoor hen niet aan dezelfde gebruiker ter beschikking stelt als uitzendkracht en als flexi-jobwerknemer.
  • Een werknemer die op pensioen gaat in kwartaal T, kan als 'gepensioneerd' flexi-jobber tewerkgesteld worden in kwartaal T.
    • Let wel, een werknemer die gepensioneerd wordt in kwartaal T kan niet als flexi-jobwerknemer tewerkgesteld worden bij dezelfde werkgever in kwartaal T. In kwartaal T+1 is dit wel toegestaan. 
  • Voortaan is het mogelijk het arbeidsvolume aan flexi-tewerkstellingen te beperken tot een maximumpercentage van het totale arbeidsvolume, en dit voor de volledige publieke en private gezondheidssector, met inbegrip van de kinderopvang.

Kilometervergoeding woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen

(11/06/2026)

Als gevolg van een tijdelijke aanpassing van de berekeningsmethode voor de kilometervergoeding en de maandelijkse mededeling ervan gedurende het 2de kwartaal 2026, wordt het bedrag van de kilometervergoeding herzien voor de maanden april, mei en juni 2026 (koninklijk besluit van 18 mei 2026 - BS van 26 mei 2026).

Voor de maand mei 2026 wordt het bedrag van de kilometervergoeding, met retroactieve toepassing, vastgesteld op 0,4841 EUR/kilometer (Omzendbrief nr. 766 van 4 juni 2026 - BS van 8 juni 2026).