Kilometervergoeding woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen

(31/01/2023)

De maximale kilometervergoeding voor de woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen bedraagt 0,4259 EUR/km vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 (omzendbrief nr. 713 van 19 december 2022, BS van 27 januari 2023).

Vrijwillige brandweerlieden en ambulanciers - vrijgestelde vergoedingen

(05/01/2023)

De wet van 16 december 2022 (BS van 27 december 2022) voorziet dat ook wachtdiensten in een kazerne of op een 112-standplaats als 'uitzonderlijke prestaties' moeten worden beschouwd.

Daarnaast verhoogt de wet het maximumbedrag van de vergoedingen voor ‘niet-uitzonderlijke’ prestaties van de vrijwillige brandweerlieden en ambulanciers, dat niet mag overschreden worden om vrijgesteld te zijn van socialezekerheidsbijdragen.  Het verhoogde en geïndexeerde maximumbedrag is vanaf 1 januari 2023 gelijk aan 1.667,24 EUR per kwartaal.

Studenten, vrijwilligers en gepensioneerden in de zorg

(05/01/2023)

De programmawet van 26 december 2022 (BS van 30 december 2022) verlengt de maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsectoren voor het 1ste kwartaal 2023. Het gaat onder andere om 

  • neutralisering van de studentenuren in de zorg
    • bij de aangifte Dimona wordt reeds rekening gehouden met de verlenging van de neutralisering
  • aanmoediging om als gepensioneerde te werken in de zorg via een vrijstelling van de werknemersbijdrage
  • tijdelijke gelijkstelling van private commerciële instellingen die vrijwilligers inschakelen met een 'organisatie' zoals gedefinieerd in de vrijwilligerswet, in zoverre zij geen werknemer in tijdelijke werkloosheid in de door hem uitgeoefende functie, vervangen.

Tevens voorziet een koninklijk besluit van 21 december 2022 (BS van 29 december 2022) de verlenging van het verhoogde kostenplafond voor vrijwilligers die effectief ingezet worden in de zorgsector tot en met 31 maart 2023. 

Dit betekent dat wanneer zij als vrijwilliger actief zijn in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 in de zorg, voor 2023 het verhoogde jaarbedrag van 4.067,05 EUR op hen van toepassing is.

Studentenarbeid

(05/01/2023)

Een koninklijk besluit van 19 december 2022 (BS van 27 december 2022) voorziet een uitbreiding van het contingent voor studentenarbeid onder solidariteitsbijdrage. Vanaf 1 januari 2023 is het maximaal aantal uren dat kan gepresteerd worden als student onder solidariteitsbijdrage verhoogd van 475 uren/jaar naar 600 uren/jaar en dit voor alle sectoren.

Bij de aangifte Dimona wordt reeds rekening gehouden met dit nieuwe contingent.

Uitbreiding flexi-arbeid en sectorgebonden flexi-loon

(05/01/2023)

De programmawet van 26 december 2022 (BS van 30 december 2022) breidt het toepassingsgebied van het flexi-werk uit tot volgende sectoren (ook voor de uitzendkantoren voor de werknemers die ze ter beschikking stellen van een gebruiker uit een van deze sectoren):

  • 223 - het nationale paritair comité voor de sport 
  • 303.03 - het paritair subcomité voor de exploitatie van bioscoopzalen
  • 304 - het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf,
    • met uitsluiting van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers
  • 330 - het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 
    • en van openbare instellingen en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87301, en 87302
    • met uitsluiting van functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Flexi-job werknemers hebben voor activiteiten uitgevoerd binnen het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) of bij een openbare instelling en diensten van de publieke zorgsector met als NACE-code een van de eerder vernoemde codes, recht op een basisloon dat niet lager mag zijn dan 11,49 EUR per uur (niet-geïndexeerd). Aangepast aan de indexevolutie, bedraagt  vanaf 1 januari 2023 dit minimumbedrag van het flexi-uurloon 14,29 EUR en het flexi-vakantiegeld 1,10 EUR per uur (totaal dus 15,39 EUR).

Ter herinnering, vanaf 1 december 2022 bedraagt voor de andere sectoren het minimumbedrag van het flexi-uurloon 10,97 EUR en het flexi-vakantiegeld 0,84 EUR per uur (totaal dus 11,81 EUR).

Forfaits gelegenheidsarbeid en met fooien betaalden

(05/01/2023)

Als gevolg van het overschrijden van de spilindex tijdens de maand oktober en november (met fooien betaalden, gelegenheidswerknemers horeca, land- en tuinbouw) en oktober (zeevissers) wijzigen de forfaitaire daglonen.

De tabel bevat de dagforfaits die gelden vanaf 1 januari 2023, variërend naargelang de sector, de uitgeoefende functie en de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het kwartaal.

De forfaitaire bedragen voor de aangestelden toiletten buiten de horeca ondergaan geen wijzigingen ten opzichte van het 4de kwartaal 2022.

Responsabiliseringsbijdrage opeenvolgende dagcontracten in de uitzendsector

(27/12/2022)

Om de gebruikers van uitzendarbeid te responsabiliseren die oneigenlijk gebruik maken van opeenvolgende dagcontracten (ODC's), voorziet de (nog te publiceren) programmawet een bijzondere RSZ-bijdrage ten laste van de gebruiker wanneer een uitzendkracht per semester bij eenzelfde gebruiker een bepaald aantal ODC’s overschrijdt.

Welke uitzendkrachten?

De maatregel slaat op alle uitzendkrachten die tewerkgesteld worden met opeenvolgende dagcontracten, inclusief studenten aangegeven onder de solidariteitsbijdrage, maar met uitsluiting van de volgende specifieke categorieën:

  • gepensioneerden,
    • >=  65-jarigen;
    • < 65-jarigen waarvoor de zone 'P' (notie gepensioneerd) in de DmfA is ingevuld;
  • flexijobbers;
  • gelegenheidswerkers tewerkstelling bij gebruikers onder PC 144 landbouw, PC 145 tuinbouwbedrijf en PC 302 hotelbedrijf.

 

Welke dagcontracten?

Alle dagcontracten die elkaar onmiddellijk, dus van dag op dag, opvolgen, worden als opeenvolgende dagcontracten (ODC’s) beschouwd. Om het aantal ODC’s te bepalen, telt het 1ste contract ook mee. Een dagcontract voor maandag en één voor dinsdag, tellen dus als twee opeenvolgende dagcontracten.  

De bepaling van het aantal ODC’s van eenzelfde uitzendkracht bij dezelfde gebruiker gebeurt door de RSZ op basis van de aangegeven dagcontracten in de DmfA. Specifiek voor studenten geeft het uitzendkantoor zelf het aantal ODC’s bij eenzelfde gebruiker op in het blok bijdrage student. Werkt eenzelfde persoon zowel als gewone werknemer en als student bij eenzelfde gebruiker, dan worden beide aantallen ODC’s niet samengeteld. Oefent eenzelfde uitzendkracht bij eenzelfde gebruiker in opeenvolgende dagcontracten een andere functie uit, dan heeft dit geen invloed op de bepaling van het aantal ODC’s.

 

Berekening van de bijdrage?

De berekening van de bijdrage gebeurt per periode van 6 maanden (voor het 1ste en 2de kwartaal samen, en voor het 3de en 4de kwartaal samen) op basis van het aantal ODC’s dat eenzelfde uitzendkracht via hetzelfde uitzendkantoor bij dezelfde gebruiker presteert:

  • als het aantal ODC’s >= 40 maar =< 59, dan bedraagt de bijdrage 10,00 EUR x het totale aantal ODC's;
  • als het aantal ODC’s >= 60 maar =< 79, dan bedraagt de bijdrage 15,00 EUR x het totale aantal ODC's;
  • als het aantal ODC’s >= 80 maar =< 99, dan bedraagt de bijdrage 30,00 EUR x het totale aantal ODC's;
  • als het aantal ODC’s >= 100, dan bedraagt de bijdrage 40,00 EUR x het totale aantal ODC's.

 

DmfA-aangifte?

De regel dat opeenvolgende contracten die dezelfde kenmerken hebben en die elkaar opvolgen zonder dat er zich tussen de contracten andere dan de normale rustdagen bevinden, in eenzelfde tewerkstellingslijn samengevoegd mochten worden, is niet meer geldig vanaf 1 januari 2023 voor uitzendkrachten. Vanaf dan moet voor elk contract van bepaalde duur (ongeacht of het gaat om een contract van één of van meerdere dagen) telkens een nieuwe tewerkstellingslijn begonnen worden, ook indien deze dezelfde karakteristieken hebben.

In de DmfA moet de gebruiker van de uitzendarbeid per tewerkstellingslijn uniek geïdentificeerd zijn. Beschikt de gebruiker over een KBO-nummer, dan is het gebruik ervan verplicht (zowel in Dimona als in de DmfA). Het uitzendkantoor dient daartoe steeds het KBO-nummer van de gebruiker op te vragen. Beschikt de gebruiker niet over een KBO-nummer, dan zal deze op een andere wijze geïdentificeerd moeten worden. Meer informatie hierover wordt zo snel mogelijk verschaft.

Specifiek voor studenten aangegeven onder de solidariteitsbijdrage, gebeurt de aangifte van het aantal ODC’s van eenzelfde student bij eenzelfde gebruiker in een nieuwe zone binnen het blok 'bijdrage student'.

 

Eerste betaling?

De 1ste facturatie ten aanzien van de klant-gebruiker is voorzien voor oktober 2023.

 

 

Aanpassing van loonplafonds verminderingen

(22/12/2022)

Als gevolg van een overschrijding van de spilindex in de loop van de maand oktober en vervolgens november 2022, wijzigen een aantal loonplafonds voor de berekening van bijdrageverminderingen. Dit kan ook een impact hebben op sommige overgangsmaatregelen van de geregionaliseerde verminderingen vanaf 1 januari 2023.

Het grensbedrag voor de doelgroepvermindering kunstenaars is ook aangepast.

 

Structurele vermindering

Aanpassing van de bovenste loongrens van de lagelonencomponent (S0) en de zeerlagelonencomponent (S2) en aanpassing van de ondergrens van de hogelonencomponent (S1) van de structurele vermindering:

Rcategorie 1 = 0,1400 x ( 10.585,95 – S) + 0,4000 x (6.375,19 - S); (algemene categorie)
Rcategorie 2 = 79,00 + 0,2557 x ( 8.892,89 – S) 0,4000 x (6.547,52 - S) + 0,0600 x (W – 15.524,27); (categorie sociale maribel)
Rcategorie 3 met loonmatiging = 0,1400 x ( 11.470,54  S) + 0,4000 x (6.375,19 - S); (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers met loonmatiging)
Rcategorie 3 zonder loonmatiging = 495,00 + 0,1785 x ( 10.890,57  S) + 0,4000 x (6.375,19 - S). (categorie erkende beschutte werkplaats, werknemers zonder loonmatiging)

 

Doelgroepvermindering oudere werknemers

  • Brussel: 12.548,46 EUR
  • Wallonië: 16.662,56 EUR

 

Doelgroepvermindering kunstenaars

  • Algemene regeling/overgangsmaatregelen: 5.864,97 EUR

 

Werknemersbijdragevermindering herstructurering

  • S0 = 3.528,65 EUR
  • S1 = 5.174,76 EUR

Responsabiliseringsbijdrage werkgevers inzake invaliditeit

(22/12/2022)

De wet van 27 december 2021, aangepast door de wet van 20 november 2022, voorziet in een responsabiliseringsbijdrage, geïnd via een debetbericht, op kwartaalbasis voor werkgevers bij wie gemiddeld de instroom van werknemers in de invaliditeit 2 maal hoger ligt dan in de ondernemingen uit dezelfde sector en 3 maal hoger dan in de privé sector in het algemeen. 

Deze maatregel is enkel van toepassing op werkgevers 

  • die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en
  • die over de referteperiode gemiddeld 50 werknemers of meer in dienst hebben en
  • bij wie er minstens 3 werknemers in invaliditeit zijn getreden in de berekeningsperiode die 4 refertekwartalen omvat ((Q - 3) tot Q) met Q het kwartaal van het ingaan van de invaliditeit.

Zijn uitgesloten, de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven (werkgeverscategorieën 073, 176, 273, 373, 473, 573 en 673).

De trimestriële responsabiliseringsbijdrage bedraagt 0,625 % van de lonen van kwartaal (Q - 1) voorafgaand aan het berekeningskwartaal (Q). Deze bijdrage zal aan de RSZ voor het eerst verschuldigd zijn in het 2de kwartaal 2023 (Q + 2) op basis van de 4 refertekwartalen van 2022.

Hiertoe berekent de RSZ ratio's op het niveau van de werkgever, van de sector waartoe hij behoort en van het geheel van de private sector. Deze ratio's komen overeen met het aantal in invaliditeit getreden werknemers in het betreffende kwartaal (Q), met uitzondering van die werknemers die op de datum van aanvang van de invaliditeit beschikken over de toelating tot werkhervatting, ten opzichte van het aantal voltijds equivalenten in hetzelfde kwartaal van het voorgaande jaar. Vervolgens wordt er een gemiddelde berekend van de ratio's van alle 4 kwartalen samen.

Alleen de werknemers die in de invaliditeit getreden zijn in kwartaal Q en

  • die minstens 18 jaar zijn en jonger dan 55 jaar op (Q - 4) en
  • die ten minste 3 achtereenvolgende jaren zonder onderbreking bij de werkgever tewerkgesteld zijn,

worden in aanmerking genomen voor de berekening van de ratio's.

In een proactieve mededeling informeert de RSZ de werkgevers bij wie de gemiddelde instroom van werknemers in de invaliditeit ongunstig evolueert dat zij 2 kwartalen later de responsabiliseringsbijdrage zouden kunnen verschuldigd zijn.

Deze proactieve mededeling is voor een 1ste keer verzonden in de loop van deze week en is bedoeld voor de werkgevers die in de refertekwartalen op zijn minst:

  • Categorie 1
    • 3 werknemers hebben die in invaliditeit zijn getreden en
    • een gemiddelde ratio hebben die 2 keer hoger ligt dan die van de eigen activiteitensector en 3 keer hoger dan die van de private sector.
  • Categorie 2
    • een gemiddelde ratio hebben die 2 keer hoger ligt dan die van de eigen activiteitensector en 3 keer hoger dan die van de private sector en
    • 2 werknemers hebben die in invaliditeit zijn getreden en die het risico lopen om de responsabiliseringsbijdrage te moeten betalen als een bijkomende werknemer in de invaliditeit zou treden in het volgende kwartaal.
  • Categorie 3
    • 3 werknemers hebben die in invaliditeit zijn getreden en 
    • een gemiddelde ratio hebben die 1,5 keer hoger ligt dan die van de eigen activiteitensector en 2,5 keer hoger dan die van de private sector en die het risico lopen om de responsabiliseringsbijdrage te moeten betalen als bij hun de instroom van werknemers in de invaliditeit ongunstig evolueert.

Het gaat om werkgevers die volgens de berekeningen betreffende de periode 3de kwartaal 2021 tot en met het 2de kwartaal 2022, behoren tot de categorie 1 of 2 of 3.

Tevens wordt een ruimer zicht gegeven op de situatie van de onderneming door dezelfde berekeningen ook uit te voeren vanaf het 2de kwartaal 2020.

Jaarbedragen 2023 en aanpassing bureauvergoeding

(22/12/2022)

Jaarbedragen 2023

  • geringe vergoeding kunstenaars: maximaal 147,67 EUR/dag en 2.953,37 EUR/jaar
  • voor 2023 wordt het maximale dagbedrag voor vrijwilligers 40,67 EUR en het jaarbedrag 1.626,77 EUR (en 2.987,70 EUR voor het verhoogd jaarbedrag) 
  • het maandbedrag waaronder de jongeren KB499 niet onderworpen zijn aan socialezekerheidsbijdragen, wordt voor 2023 651,66 EUR
  • grensbedrag niet-beschermde lokale mandataris: 7.819,96 EUR
  • niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen: 3.948,00 EUR
  • bedrijfsvoertuigen solidariteitsbijdrage: de bedragen moeten vermenigvuldigd worden met 171,64 en vervolgens gedeeld door 114,08; minimum CO2-bijdrage 31,34 EUR
  • Dimona solidariteitsbijdrage: forfaitair bedrag van 3.393,39 EUR
  • herverdeling van de sociale lasten: het bedrag van deze bijdrage wordt jaarlijks begrensd; het plafond bedraagt 238.731,00 EUR

 

Aangepaste onkostenvergoedingen voor 2023

  • Bureauvergoeding: 148,73 EUR (vanaf 1 januari 2023)

Kilometervergoeding woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen

(05/12/2022)

De maximale kilometervergoeding voor de woon-werkverplaatsingen en beroepsverplaatsingen bedraagt 0,4201 EUR/km vanaf 1 oktober 2022 tot en met 1 december 2022 (omzendbrief nr. 711 van 30 november 2022, BS van 2 december 2022).

Huisarbeiders - aantal arbeidsdagen

(02/12/2022)

De RSZ aanvaardt dat het aantal arbeidsdagen voor huisarbeiders berekend wordt op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. Als gevolg van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, bedraagt het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen 1.954,99 EUR met ingang van 1 december 2022.

Reactiveringsprocedure voor maaltijd-, eco-, consumptie- en coronapremiecheques

(02/12/2022)

Het koninklijk besluit van 22 november 2022 (BS van 28 november 2022) voorziet vanaf 1 december 2022 in een reactiveringsprocedure voor vervallen maaltijd- eco-, consumptie- en coronapremiecheques.

Binnen de 3 maanden na de vervaldatum van de respectievelijke cheques, kan de werknemer aan de uitgever van de cheques een eenmalige aanvraag tot reactivering doen. Deze aanvraag is gratis ongeacht het aantal cheques. Gereactiveerde cheques hebben een geldigheidsduur van 3 maanden.

Als vervaldatum wordt rekening gehouden met de reeds doorgevoerde verlengingen van de betreffende cheques in het kader van de corona-maatregelen.

Voor eventuele daarop volgende aanvragen kan een tussenkomst van de werknemer gevraagd worden van maximaal 5 EUR, ongeacht het aantal cheques.

Decava - loonplafonds inhoudingen

(02/12/2022)

Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er met ingang van 1 december 2022 een aanpassing van de grensbedragen voor de berekening van de maximale inhouding op de aanvullende vergoedingen:

Grensbedragen na indexering en met toepassing van de herwaarderingscoëfficiënt:

(in EUR)

voltijds, met gezinslast

voltijds, zonder gezinslast

halftijds, met gezinslast

halftijds, zonder gezinslast

basisbedrag 1.130,44 938,50 565,22 469,25
vanaf 01-05-2022 1.964,07 1.630,59 982,04 815,29
vanaf 01-08-2022 2.003,33 1.663,18 1.001,67 831,59
vanaf 01-11-2022 2.043,35 1.696,40 1.021,67 848,20
vanaf 01-12-2022 2.084,26 1.730,36 1.042,13 865,18

 

In de zone 00829 'NOTIE AANPASSING BEDRAG VAN DE AANVULLENDE VERGOEDING OF DE SOCIALE UITKERING' van het blok '90337 - aanvullende vergoeding - bijdrage', moet u voor de indexaanpassing van december de waarde '9 = andere wijziging van het bedrag in de loop van het kwartaal' gebruiken.

Flexi-loon

(02/12/2022)

In het kader van een flexi-job heeft de werknemer recht op een loon (bruto is netto aangezien er geen inhoudingen zijn) dat niet lager mag zijn dan 8,82 EUR per uur (niet-geïndexeerd). Eveneens wordt, samen met ieder loon, een flexi-vakantiegeld uitbetaald van 0,68 EUR per uur (niet-geïndexeerd, totaal dus 9,50 EUR per uur). Door een aanpassing voortvloeiend uit een indexoverschrijding, bedraagt  vanaf 1 december 2022 het minimumbedrag van het flexi-uurloon 10,97 EUR en het flexi-vakantiegeld 0,84 EUR per uur (totaal dus 11,81 EUR).

Werkbonus - grensbedragen

(02/12/2022)

Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er een aanpassing van de loongrenzen en van de maximale verminderingsbedragen voor de berekening van de werkbonus. Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 december 2022.

Bedienden (*)

S (refertemaandloon aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

2.013,64
2.013,64 en ≤ 3.082,66
3.082,66

247,31
247,31 - ( 0,2313 x (S - 2.013,64))
0,00

Arbeiders (**)

S (refertemaandloon aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

≤ 2.013,64
2.013,64 en ≤ 3.082,66
3.082,66

267,09
267,09 - (0,2498 x (S - 2.013,64))
0,00

(*) Onder 'Bedienden' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 100 %, dus ook bijvoorbeeld arbeiders in de openbare sector.
(**) Onder 'Arbeiders' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 108 %, dus ook bijvoorbeeld kunstenaars.