Vergoeding voor thuiswerk

(04/03/2021)

Op 26 februari 2021 heeft de FOD Financiën een fiscale circulaire gepubliceerd met uitvoerige richtlijnen betreffende de tussenkomsten van de werkgever voor thuiswerk (Circulaire 2021/C/20). De in deze circulaire opgenomen principes komen heel sterk overeen met de manier waarop de RSZ in het verleden deze kostenvergoeding reeds toepaste. De RSZ heeft dan ook beslist deze circulaire volledig te volgen voor wat betreft de kwalificatie van ter beschikking stelling van materiaal en terugbetalingen in het kader van kosten verbonden aan thuiswerk.

Dat wil ook zeggen dat als er twijfel bestaat of iets al dan niet als loon moet worden beschouwd bij terugbetalingen van kosten waarvan men denkt dat ze ten laste zijn van de werkgever, in eerste instantie verwezen wordt naar deze circulaire.

In grote lijnen gaat deze circulaire over:

  • terugbetalingen
    • kantoorkosten
    • kosten kantoormeubilair / informaticamateriaal
    • kosten professioneel gebruik internetaansluiting en -abonnement
    • kosten professioneel gebruik privécomputer
    • kosten professioneel gebruik van eigen tweede computerbeeldscherm, printer/scanner zonder privécomputer (met een nieuw forfait van 5,00 EUR/maand per toestel en een maximum van 10,00 EUR/maand  voor alle toestellen samen)
  • voordeel voortvloeiend uit het ter beschikking stellen van
    • kantoormeubilair / informaticamateriaal.

Het gaat om

  • thuiswerk,
    • dus over werk uitgevoerd in de private lokalen van de werknemer dat ook op de werkvloer van de werkgever kan worden uitgevoerd
    • op normale werkdagen en tijdens normale werkuren.

Een werkgever kan aan werknemers die structureel en op regelmatige basis een substantieel deel van hun arbeidstijd aan thuiswerk doen een forfaitaire kantoorvergoeding van maximum 129,48 EUR per maand toekennen, zowel voor deeltijdse als voor voltijdse werknemers. Onder structureel en regelmatig wordt verstaan het equivalent van 1 werkdag per week zowel voor de deeltijdse als voor voltijdse werknemers. Dit kan op maandbasis op verschillende manieren georganiseerd worden (zonder proratisering):

  • 1 kalenderdag / week
  • 2 1/2de werkdagen : week
  • 2 uur/dag in 5-dagenweek
  • 1 week / maand.

Het bedrag van 129,48 EUR is een maximumbedrag. Er mag dus ook een kleiner bedrag toegekend worden, maar het is niet verplicht het bedrag te proratiseren bij deeltijdse prestaties.

Daarnaast kan nog een extra vergoeding gegeven worden voor

  • van maximum 20,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van een privé-internetaansluiting en -abonnement EN
  • van maximum 20,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van de privécomputer met randapparatuur
    • OF van maximum 10,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerbeeldscherm, printer/scanner zonder privécomputer (5,00 EUR/maand per item gedurende maximaal 3 jaar).

Er is een verhoging voorzien van de maandelijkse maximum vergoeding van 129,48 EUR naar 144,31 EUR voor de maanden april, mei en juni 2021.

top

Premie voor de compensatie van RSZ-bijdragen van het 3de kwartaal 2020 - toeleveranciers update 25/01/2021 - coronamaatregel

(25/01/2021)

Maatregel voor de toeleveranciers van werkgevers die verplicht hebben moeten sluiten op basis van de ministeriële besluiten van 28/10/2020 en 01/11/2020.

Om de financiële gevolgen van de coronacrisis te verlichten, heeft de regering nieuwe maatregelen genomen om de werkgevers van bepaalde zwaar getroffen sectoren te ondersteunen. Zo werd een compensatieregeling uitgewerkt voor toeleveranciers van ondernemingen die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten. Deze regeling voorziet in een compensatie die gelijk is aan de verschuldigde netto patronale basisbijdragen en de patronale solidariteitsbijdrage voor studenten voor hetzij het 1ste kwartaal 2020, hetzij het 3de kwartaal 2020, waarbij het meest gunstige bedrag van de twee wordt toegekend.

Een koninklijk besluit dat deze aangelegenheid regelt, werd op 16 december 2020 ondertekend.

 

I Toepassingsgebied en voorwaarden van de maatregel

Deze maatregel is van toepassing

  • op werkgevers uit de privésector
  • die nog actief zijn aan het eind van het 3de kwartaal, nl. op 30 september 2020.
  • die toeleveranciers zijn van ondernemingen die verplicht hebben moeten sluiten op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020. Er moet een rechtstreeks verband bestaan tussen de toeleverancier en de onderneming die verplicht moest sluiten om deze maatregel te kunnen genieten. Werkgevers die leveren aan toeleveranciers van een onderneming die verplicht heeft moeten sluiten, kunnen deze maatregel niet genieten.

Notie van toeleverancier in het kader van de maatregel

Om deze maatregel te kunnen genieten, moeten de werkgevers in 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteerde uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten. Ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, moeten in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn.

Werkgevers die de premie aanvragen, moeten voor de RSZ bewijsstukken ter beschikking houden van het feit dat ze leveren aan de bedrijven die verplicht hebben moeten sluiten voor het publiek, voor minstens 20% van hun omzet van 2019 of 2020, al naargelang het geval.

Ondernemingen waarvan men rechtstreekse toeleverancier moet zijn, zijn de ondernemingen die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten en die tot de volgende sectoren behoren :

  • inrichtingen die behoren tot de sector van de horeca (PC 302) en andere eet- en drinkgelegenheden, met uitzondering van hotels, vakantieverblijven en grootkeukens voor verblijf-, school-, leef- en werkgemeenschappen, die zijn uitgesloten vermits zij niet verplicht gesloten waren voor het publiek;
  • discotheken, dancings en dergelijke;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de organisatie van congressen en beurzen;
  • ondernemingen uit het ‘vermakelijkheidsbedrijf’;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de filmvertoning;
  • exploitanten van kermisattracties
  • casino's;
  • pret- en dierenparken, de historische sites en monumenten en musea;
  • ondernemingen die deel uitmaken van de sportsector;
  • rijscholen;
  • garages, handels in voertuigen en carwashbedrijven op voorwaarde dat deze moesten sluiten voor het publiek;
  • onderneming die deel uitmaken van de sector van de detailhandel;
  • onderneming die behoren tot de kappers- en schoonheidszorgsectoren;
  • welnesscentra;
  • tatoeage- en piercingsalons;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de dierenverzorging;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de buitenschoolse opleiding en de verenigingen, op voorwaarde dat ze moesten sluiten voor het publiek.

 

Er bestaan 3 categorieën van werkgevers op wie deze maatregel van toepassing is.

Categorie 1: BTW-plichtige werkgevers die een periodieke BTW-aangifte indienen

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteerde uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling van minstens 65% van de omzet hebben, resulterend uit verrichtingen die in kader 2 moeten worden opgenomen van de periodieke BTW-aangiften, bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het BTW-wetboek, ten opzichte van de omzet, resulterend uit diezelfde verrichtingen die in de periodieke BTW-aangiften voor het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020 moesten worden opgenomen,
    • of in het 4de kwartaal 2020 een effectieve daling van minstens 65% van de omzet hebben, resulterend uit de verrichtingen die in kader 2 moeten worden opgenomen van de periodieke BTW-aangiften, bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het BTW-wetboek, ten opzichte van de omzet uit diezelfde verrichtingen die in de periodieke BTW-aangiften voor het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020 moesten worden opgenomen.

Categorie 2: BTW-plichtige werkgevers die geen periodieke BTW-aangifte indienen

Het betreft

  • kleine ondernemingen die hebben geopteerd voor de vrijstellingsregeling indien hun jaarlijkse omzet niet meer bedraagt dan 25.000,00 EUR
  • ondernemingen die onder de bijzondere landbouwregeling vallen
  • ondernemingen die deel uitmaken van een BTW-eenheid die de BTW-aangiften uitvoert voor de volledige eenheid.

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten voor het publiek, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet hebben die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling hebben van minstens 65% van de bij de RSZ aangegeven loonmassa ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

Categorie 3: werkgevers die niet BTW-plichtig zijn

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling hebben van minstens 65% van de bij de RSZ aangegeven loonmassa ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de  kwartaal 2019 of het 3de  kwartaal 2020.

 

 

II Procedure

Stap 1: Aanvraag van de premie bij de RSZ via een online toepassing

Categorie 1: BTW-plichtige werkgevers die een periodieke BTW-aangifte indienen

Om de maatregel te kunnen genieten, moeten deze werkgevers een aanvraag bij de RSZ indienen via een online toepassing  waarin zij aangeven

  • dat hun omzet in 2019 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, dat hun omzet in 2020 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die verplicht moesten sluiten
  • en dat er in het 2de kwartaal 2020 een daling van hun omzet van minstens 65% heeft plaatsgevonden ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

Categorie 2: BTW-plichtige werkgevers die geen periodieke BTW-aangifte indienen en categorie 3: werkgevers die niet BTW-plichtig zijn

Om de maatregel te kunnen genieten, moeten deze werkgevers een aanvraag bij de RSZ indienen via een online toepassing  waarin zij aangeven

  • dat hun omzet in 2019 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, dat hun omzet in 2020 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die verplicht moesten sluiten
  • en dat er in het 2de kwartaal 2020 een daling van de aangegeven loonmassa van minstens 65% heeft plaatsgevonden ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

De ESS en de dienstverrichters kunnen deze aanvraag indienen voor de werkgevers waarvoor zij bij de RSZ als mandataris voor de DmfA bekend staan.

Opgelet

De aanvragen op basis van de daling met ten minste 65 % van de omzet of de loonmassa van het 2de kwartaal 2020 en/of  het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het voorgaande kwartaal of van het overeenstemmende kwartaal van 2019, moeten ten laatste tegen 15 februari 2021 bij de RSZ worden ingediend. De RSZ onderzoekt de aanvragen zowel op basis van het 2de kwartaal 2020 als op basis van het 4de kwartaal 2020.

 

Stap 2: verzending van een ontvangstbevestiging van de aanvraag

Werkgevers die een aanvraag van de premie 'toeleverancier' bij de RSZ hebben ingediend, ontvangen in hun e-box een elektronisch overzicht van hun aanvraag.

Werkgevers voor wie de mandataris de aanvraag heeft ingediend, ontvangen in hun e-box een elektronisch overzicht van de aanvraag.

 

Stap 3: Berekening van het bedrag van de premie

Na de controle van de voorwaarden voor de toekenning van de premie, zal de RSZ het bedrag berekenen voor de werkgevers die er recht op hebben.

De premie is gelijk aan het bedrag van de verschuldigde netto patronale basisbijdragen en de patronale solidariteitsbijdrage voor studenten voor hetzij het 1ste kwartaal 2020, hetzij het 3de kwartaal 2020, waarbij het meest gunstige bedrag van de twee wordt toegekend.

De premie wordt berekend voor alle werknemers en studenten van de betrokken werkgevers, met uitzondering van de flexi-jobs en de specifieke werknemers die niet in de DmfA werden aangegeven, zoals de vrijwilligers.

Onder netto patronale basisbijdragen wordt begrepen de patronale basisbijdragen, met inbegrip van de loonmatigingsbijdrage, verminderd met de structurele verminderingen en de doelgroepverminderingen.

Zijn niet in het toepassingsgebied opgenomen:

  • de werknemersbijdragen
  • de bijzondere werkgeversbijdragen, waaronder:
    • de bijdrage bestemd voor het stelsel voor jaarlijkse vakantie der handarbeiders
    • de bijdrage 1,60% of 1,69%
    • de bijdrage risicogroepen
    • de bijdragen bestemd voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen
    • de bijdragen bestemd voor een Fonds voor Bestaanszekerheid
    • De bijdragen voor de 2de pensioenpijler

Onder de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten, wordt begrepen, het gedeelte van de solidariteitsbijdrage ten laste van de werkgever (5,42%).

Het bedrag van de premie zal in 4 gelijktijdige stappen worden berekend:

  • Stap 1: berekening van het bedrag op basis van de gegevens van het 1ste kwartaal 2020
    Dit bedrag is gelijk aan
    • het bedrag van de netto patronale basisbijdrage van het 1ste kwartaal 2020
    • vermeerderd met het bedrag van de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten betreffende het 1ste kwartaal 2020
  • Stap 2: berekening van het bedrag op basis van de gegevens van het 3de kwartaal 2020
    Dit bedrag is gelijk aan
    • het bedrag van de netto patronale basisbijdrage van het 3de kwartaal 2020
    • vermeerderd met het bedrag van de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten betreffende het 3de kwartaal 2020
  • Stap 3: vergelijking van de 2 bedragen
    • Het hoogste bedrag van de 2 wordt in aanmerking genomen.
  • Stap 4: eventuele vergelijking van het bedrag van de premie, toegekend aan de werkgevers die, in overeenstemming met de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020, verplicht hebben moeten sluiten of die door de coronamaatregelen zwaar getroffen zijn (premie 'sluiting'), met het bedrag van de premie, toegekend op basis van de huidige nota (premie 'toeleverancier')
    • Als de werkgever reeds een premie 'sluiting' genoten heeft en hij ook recht heeft op de premie 'toeleverancier', zal de RSZ de 2 bedragen vergelijken.
    • Het bedrag van de premie 'toeleverancier' zal gelijk zijn aan het verschil tussen de premie 'sluiting' en de premie 'toeleverancier' die werd berekend.

Werkgevers kunnen slechts één maal op deze premie aanspraak maken. Indien de premie wordt toegekend op basis van de verklaring van de daling van de omzet of de loonmassa van het 2de kwartaal, dan is deze premie verworven. Ze zal echter geen 2de keer worden toegekend als de werkgever op basis van de daling van de omzet of de loonmassa van het 4e kwartaal een aanvraag indient, ook niet indien er effectief een daling in omzet of loonmassa heeft plaatsgevonden in het 2de en het 4de kwartaal.

 

Stap 4: Mededeling aan de werkgever van het recht op de premie en het bedrag

De RSZ zal de werkgevers meedelen of ze op basis van de bovenstaande voorwaarden al dan niet recht hebben op de premie, en zo ja, hoeveel die bedraagt. Werkgevers die er voor gekozen hebben om hun documenten enkel via hun e-Box Enterprise te ontvangen (opt in), zullen deze informatie enkel  elektronisch via een e-mail in hun e-box ontvangen. De andere werkgevers ontvangen deze informatie ook op papier.

 

Stap 5: Storting van de premie op de werkgeversrekening bij de RSZ

Voor werkgevers die recht hebben op de premie op basis van de daling van hun omzet of loonmassa in het 2de kwartaal 2020 stort de RSZ zo snel mogelijk het bedrag van de premie op de rekening van de werkgever bij de RSZ.

De premie zal in eerste instantie worden aangewend om de bijdragen voor het 1ste kwartaal 2021  en vervolgens om de eventuele andere verschuldigde bedragen te betalen. Ze zal hierbij eerst op de oudste schuld worden toegerekend, overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969.  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken.  Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo worden aangewend voor de eerstvolgende bedragen die aan de RSZ verschuldigd zijn.

Voor werkgevers die recht hebben op de premie op basis van de daling van hun omzet of loonmassa in het 4de kwartaal 2020, stort de RSZ, zodra dit mogelijk is, het bedrag van de premie op de rekening van de werkgever bij de RSZ.

De premie zal in eerste instantie worden aangewend om de bijdragen voor het 2de kwartaal 2021 en vervolgens om de eventuele andere verschuldigde bedragen te betalen. Ze zal hierbij eerst op de oudste schuld worden toegerekend, overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969.  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken.  Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo worden aangewend voor de eerstvolgende bedragen die aan de RSZ verschuldigd zijn.

top

Verlenging geldigheidsduur consumptiecheque en maaltijd-, eco-, geschenk-, sport- en cultuurcheques - coronamaatregel

(08/01/2021)

Om de begunstigden van de verschillende cheques toe te laten deze te gebruiken zonder keuzebeperking als gevolg van de huidige sluitingen, wordt de geldigheid ervan verlengd. Dit laat ondernemingen ook toe ze te aanvaarden na de oorspronkelijke geldigheidsdatum.

Het gaat om volgende verlengingen:

  • Consumptiecheques (elektronische en papieren)
    • --> verlenging geldigheidsduur tot en met 31 december 2021
    • consumptiecheques in sectoren die beslist hebben over de toekenning ervan na een financieringsbeslissing van de subsidiërende federale overheid of gefedereerde entiteit in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020, mogen toegekend worden tot en met 30 juni 2021; het gaat om de eenmalige solidariteitspremie volgens het systeem van de consumptiecheque voor het personeel van de federale gezondheidssectoren
  • Maaltijdcheques (enkel elektronische):
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, worden heruitgegeven ten belope van hetzelfde bedrag voor zover zij niet werden verlengd, opnieuw met een geldigheidsduur van 12 maanden
  • Ecocheques (elektronische en papieren):
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, worden heruitgegeven ten belope van hetzelfde bedrag voor zover zij niet werden verlengd, opnieuw met een geldigheidsduur van 24 maanden
  • Sport- en cultuurcheques:
    • waarvan de vervaldatum 30 september 2020 is --> verlenging geldigheidsduur tot en met 30 september 2021
  • Geschenkcheques:
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden

Dit houdt dus in dat wanneer de geldigheidsduur eerder verlengd werd, de verlengde geldigheidsduur bepalend is om na te gaan of er nog sprake kan zijn van een verlenging.

(koninklijk besluit van 20 mei 2020 - BS van 29 mei 2020; 2 koninklijke besluiten van 22 december 2020 - BS van 29 december 2020; programmawet van 20 december 2020 - BS van 30 december 2020; koninklijk besluit van 28 december 2020 - BS van 31 december 2020)

top