De bijdragen

Het geglobaliseerde bijdragepercentage

De 6de Staatshervorming voorziet de overdracht naar de regio’s van de bevoegdheden inzake kinderbijslag, betaald educatief verlof, begeleiding van werklozen en van het Fonds voor collectieve uitrusting en diensten. Bijgevolg worden vanaf het 1ste kwartaal 2015 volgende bijdragen niet meer als dusdanig geïnd:

  • de kinderbijslag
  • de kinderopvang
  • het betaald educatief verlof
  • de begeleiding en opvolging van werklozen.

Vanaf dan is er nog maar één patronale basisbijdrage (totaalpercentage) van toepassing zonder rechtstreeks verband met het vroegere toepassingsgebied van deze specifieke bijdragen, maar verschillend voor een aantal groepen:

werknemers uit de private sector 24,92 %
contractuelen uit de openbare sector (DmfA)
24,82 %
statutairen en gelijkgestelden openbare sector (DmfA)
17,82 %

leerlingen (*) (DmfA)

17,82 %

statutairen, contractuelen en leerlingen (*) provinciale en plaatselijke besturen (DmfAPPL)

23,07 %

(*) Dit bijdragepercentage geldt slechts tot 31 december van het kalenderjaar waarin de leerlingen, stagiairs of jongeren 18 worden. Vanaf 1 januari van het volgende jaar (het jaar waarin ze 19 worden), vallen zij onder het bijdragepercentage voor de gewone werknemers.

Invloed van de tax-shift

Uitvoering 2016-2017

De wet van 26 december 2015 tot versterking van de jobcreatie en koopkracht en de wet van 16 mei 2016 betreffende diverse bepalingen inzake sociale zaken, voorzien in een vermindering van de bijdragepercentages voor werknemers van categorie 1 en 3 van de structurele vermindering. Het toepasselijke bijdragepercentage wordt voor deze werknemers vanaf het 2de kwartaal 2016 verlaagd van 24,92 % of 24,82 % naar 22,65 %.

Uitvoering vanaf 2018

De wet van 26 december 2015 tot versterking van de jobcreatie en koopkracht en de wet van 16 mei 2016 betreffende diverse bepalingen inzake sociale zaken, voorzien in een verdere vermindering van de bijdragepercentages voor werknemers van categorie 1 en 3 van de structurele vermindering vanaf 1 januari 2018. Het toepasselijke bijdragepercentage wordt voor deze werknemers vanaf het 1ste kwartaal 2018 verlaagd van 22,65 % naar 19,88 %.


Vaststellen van de bijdragepercentages

Het werkgeversbijdragepercentage voor werknemers met een beperkte onderwerping wordt bekomen door de bijdragevoet van elk niet toepasbaar stelsel af te trekken van het totaalpercentage van de groep waartoe de werknemer behoort. Zo wordt bijvoorbeeld voor de contractuele werknemers aangegeven via de DmfAPPL op de basiswerkgeversbijdrage van 23,07% de niet toepasselijke socialezekerheidsregelingen in mindering gebracht:

  • 1% voor de regeling van de beroepsziekten van de privésector;
  • 0,30% voor de regeling van de arbeidsongevallen van de privésector als het personeel van het provinciaal of plaatselijk bestuur onderworpen is aan de arbeidsongevallenregeling van de openbare sector.

Om het totale werknemersbijdragepercentage te kennen, telt u de percentages op van de regelingen die voor de werknemer van toepassing zijn. Volgende bijdragepercentages gelden op de brutokwartaallonen:

Tak van de sociale zekerheid

werknemersaandeel
( % )

werkgeversaandeel
( % )

Pensioenen

7,50

8,86

Ziekte en invaliditeit - geneeskundige verzorging

3,55

3,80

Ziekte en invaliditeit - uitkeringen

1,15

2,35

Werkloosheid

0,87

1,46

Beroepsziekten

-

1,00

Arbeidsongevallen

-

0,30

Voor de werknemers die via de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie een jaarlijkse vakantiecheque ontvangen (hoofdzakelijk arbeiders), wordt bij de patronale basisbijdrage 5,57 % gevoegd voor de regeling jaarlijkse vakantie, en wordt 10,27% geïnd via een jaarlijkse vakantieafrekening.

Met volgende bijdragen moet eveneens rekening worden gehouden:

(bijzondere) bijdrage

( % )

Loonmatigingsbijdrage

5,67 + 0,0567 x (toepasselijke werkgeversbijdragen)

Asbestfonds (bijz. bijdr.) (*)

0,01

Arbeidsongevallen (bijz. bijdr.)

0,02

Statutaire werknemers openbare sector (DmfA) (geen loonmatiging)

1,40

Beroepsziekte statutaire en contractuele werknemers openbare sector (DmfAPPL) (loonmatiging)(**)

0,17

(*) Vanaf 2017 wordt de bijdrage asbestfonds enkel geïnd voor het 1steen het 2de kwartaal.

(**) Kunstenaars en onthaalouders volgen de beroepsziekteregeling van de privésector.

U vindt de verschuldigde percentages (bijdragevoeten) per werkgeverscategorie en per werknemerskengetal terug in het bijdragevoetenbestand DmfA of het bijdragevoetenbestand DmfAPPL.

Brutoloon aan 100 % of 108 %

Voor handarbeiders en daarmee gelijkgestelden die onder het privé-vakantiestelsel vallen, worden de socialezekerheidsbijdragen berekend op het brutoloon verhoogd met 8%.

De reden is dat zij hun vakantiegeld niet van hun werkgever ontvangen, maar van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of een vakantiefonds. Zij ontvangen van hun werkgever bijgevolg geen loon voor de wettelijke vakantiedagen (enkel vakantiegeld).

Door de verhoging van de berekeningsbasis met 8% worden de werknemers- en werkgeversbijdragen op het enkel vakantiegeld onrechtstreeks betaald, samen met het gewone loon. Op het gedeelte van de vakantiecheque dat overeenstemt met het enkel vakantiegeld worden bijgevolg geen werknemersbijdragen ingehouden.

Tot de categorie van werknemers voor wie de socialezekerheidsbijdragen worden berekend op het brutoloon verhoogd met 8 %, behoren ook de artiesten of de kunstenaars die tewerkgesteld zijn door werkgevers die onder het toepassingsgebied vallen van de gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (het gaat dus hoofdzakelijk om de werkgevers van de private sector; de verhoging van de brutolonen met 8 % geldt over het algemeen niet voor de werkgevers van de openbare sector).

Loonmatigingsbijdrage

De loonmatigingsbijdrage is in principe verschuldigd voor iedereen die bij de RSZ wordt aangegeven.

Ze is gelijk aan 5,67% van het loon van de werknemer, verhoogd met 5,67% van de verschuldigde werkgeversbijdragen.

Dit percentage wordt verhoogd met 0,40% voor de werknemers die vallen onder de toepassing van de wetten op de jaarlijkse vakantie der werknemers.

Invloed van de tax-shift

Uitvoering vanaf 2018

De wet van 26 december 2015 tot versterking van de jobcreatie en koopkracht en de wet van 16 mei 2016 betreffende diverse bepalingen inzake sociale zaken, voorzien in een vermindering van het bijdragepercentage loonmatiging voor werknemers van categorie 1 en 3 van de structurele vermindering vanaf 1 januari 2018. Het toepasselijke loonmatigingspercentage wordt voor deze werknemers vanaf het 1ste kwartaal 2018 verlaagd van 5,67 % naar 4,27 %.

De verhoging met 0,40 % valt vanaf 1 januari 2018 eveneens weg voor de werknemers van categorie 1 en 3 van de structurele vermindering.

Voor werknemers die onder alle regelingen vallen, is dus een maximale loonmatiging van 7,48 % verschuldigd. Ook op een aantal bijkomende bijdragen, zoals op de 1,60 % en op de FSO-bijdragen (Fonds Sluiting Ondernemingen), is een loonmatigingsbijdrage verschuldigd.

De bijdrage moet niet in rekening gebracht worden voor de bijkomende bijdragen (vooral van belang voor de bijdrage Fonds Sluiting Ondernemingen) voor de 'gesubsidieerde contractuelen' en de 'contractuele vervangers openbare sector' en voor de bijdrage 1,40 % voor statutaire werknemers (DmfA). De loonmatiging wordt wel in rekening gebracht op de bijdrage 0,17 % beroepsziekte openbare sector (DmfAPPL).

Aan de universitaire instellingen deelt de RSZ het bedrag van de vermindering van deze bijdrage mee dat zij ingevolge speciale berekeningsmodaliteiten voor sommige leden van hun personeel mogen toepassen op de betaling van hun driemaandelijkse bijdragen aan de RSZ.

De loonmatigingsbijdrage is niet verschuldigd voor de volgende categorieën van werknemers.

  • de erkende en industriële leerlingen, de leerlingen met een inschakelingsovereenkomst en de stagiairs in opleiding tot ondernemingshoofd, tot 31 december van het kalenderjaar waarin ze 18 worden;
  • de jongeren, tot 31 december van het kalenderjaar waarin ze 18 worden;
  • de betaalde sportbeoefenaars;
  • de handarbeiders van wie het loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat en voor wie de socialezekerheidsbijdragen worden berekend op forfaitaire daglonen, behalve voor hun eindejaarspremie;
  • de zeevissers en de scheepsleerlingen ;
  • de taxichauffeurs voor personenvervoer;
  • de mindervaliden tewerkgesteld in erkende beschutte werkplaatsen;
  • de gelegenheidsarbeiders in het land- en tuinbouwbedrijf;
  • de personeelsleden die rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting worden bezoldigd;
  • de personeelsleden van onderwijsinrichtingen die rechtstreeks ten laste van een Gemeenschap worden bezoldigd of ten laste van een openbare instelling die als inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs optreedt;
  • de gelegenheidswerknemers in de horeca aangegeven met een forfait;
  • de niet-beschermde lokale mandatarissen.

De loonmatigingsbijdrage is evenmin verschuldigd op de getrouwheidspremie die het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Stoffering en de Houtbewerking betaalt aan de arbeiders van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de Stoffering en de Houtbewerking.

Op de kwartaalaangiften is de loonmatigingsbijdrage, voor de werknemers voor wie de bijdrage verschuldigd is, opgenomen in het globale bijdragepercentage.

Eindejaarspremies van de met fooien bezoldigden zijn aan te geven in de werknemerscategorie voor de met reëel loon betaalden. Op die premies is dus de loonmatigingsbijdrage verschuldig.

Bijdrage 1,60 %

Toepassingsgebied:

  • Niet iedereen is de bijdrage van 1,60% (1,69% onder invloed van de loonmatigingsbijdrage) verschuldigd. Ze geldt enkel voor werkgevers die tijdens de referteperiode gemiddeld ten minste 10 werknemers tewerkstelden.
  • De bijdrage moet niet in rekening gebracht worden van de 'gesubsidieerde contractuelen', de 'contractuele vervangers openbare sector' en de 'werknemers artikel 60, §7 van de OCMW-wet van 8 juli 1976 (DmfAPPL)'. Deze werknemers tellen wel mee om te bepalen of er ten minste 10 werknemers worden tewerkgesteld.
  • Zelfs werkgevers die tijdens de referteperiode gemiddeld meer dan 10 personen tewerkstelden, zijn geen bijdrage verschuldigd voor hun werknemers die niet onder de vakantiewetgeving van de privésector vallen. Om uit te maken of het aantal van 10 bereikt is, tellen deze werknemers eveneens mee.

Referteperiode:

De periode gedekt door het 4de kwartaal van het (kalenderjaar - 2) en het 1ste tot en met het 3de kwartaal van het (kalenderjaar - 1).

Gemiddeld aantal:

  • het aantal werknemers, aangegeven op het einde van elk kwartaal van de referteperiode, opgeteld en,
  • gedeeld door het aantal kwartalen van de referteperiode waarvoor een aangifte bij de RSZ werd ingediend.

Om het aantal werknemers op het einde van elk kwartaal te bepalen, houdt men rekening met alle werknemers die bij de werkgever werkten in uitvoering van een arbeidsovereenkomst, met de leerlingen en met de werknemers die uitsluitend onder de regeling der geneeskundige verzorging vallen. Komen voor die berekening eveneens in aanmerking, de werknemers van wie de arbeid geschorst is wegens een wettelijke oorzaak zoals ziekte of ongeval, rust bij zwangerschap of bevalling, gedeeltelijke of toevallige werkloosheid en wederoproeping onder de wapens, met uitzondering evenwel van de werknemers in volledige loopbaanonderbreking.

Bij de vaststelling of de bijdrage verschuldigd is, houdt de RSZ bij de telling geen rekening met de volgende categorieën van occasioneel tewerkgestelde werknemers:

Het is duidelijk dat de RSZ zich het recht voorbehoudt de ingediende aangiften te wijzigen indien zou blijken dat bepaalde werknemers ten onrechte onder één van die categorieën ondergebracht werden, louter met als doel de bijdrage van 1,60 niet te moeten betalen.

Indien tijdens de referteperiode gedurende één of meerdere kwartalen geen aangifte voor de betrokken werkgever werd ingediend, gebeurt de berekening van het gemiddelde uitsluitend op basis van de kwartalen waarvoor wel een aangifte werd ingediend. Bij een nieuwe werkgever of bij een werkgever die voor geen van de kwartalen tijdens de referteperiode een aangifte moet overmaken, gebeurt de bepaling van het gemiddelde aan de hand van het aantal werknemers tewerkgesteld op het einde van het kwartaal waarbinnen de eerste tewerkstelling plaatsvond na de referteperiode.

Debetbericht jaarlijkse vakantie (DmfA)

De totale bijdrage bestemd voor de regeling jaarlijkse vakantie van de handarbeiders en gelijkgestelden bedraagt 15,84 % van de brutolonen (aan 108 %). Een gedeelte hiervan (5,57 %) wordt driemaandelijks, samen met de andere bijdragen geïnd. Het resterende gedeelte van 10,27 % maakt jaarlijks het voorwerp uit van een debetbericht. De RSZ stelt dit debetbericht op basis van de aangiften van het vorige kalenderjaar op, en verstuurt het aan de werkgevers in de loop van de maand maart. Het bedrag ervan is verschuldigd op 31 maart en moet uiterlijk op 30 april aan de RSZ betaald zijn.

Voor de werkgevers uit de bouwsector geldt deze bijzondere inningswijze alleen voor de erkende en industriële leerlingen en de stagiairs in opleiding tot ondernemingshoofd.

Bijkomende informatie DmfA - Loonmatigingsbijdrage

In het bijdragevoetenbestand kan men voor elk werknemerskengetal in een bepaalde categorie nakijken of de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is en welke de bijdragevoet is.

Deze bijdrage is opgenomen in de basisbijdrage die van toepassing is voor de betrokken werknemers.

Bijkomende informatie DmfA - Bijdrage van 1,60%

In DMFA wordt de bijdrage van 1,60% per werknemerslijn aangegeven in blok 90001 “Bijdrage verschuldigd voor de werknemerslijn”
- met werknemerskengetal 855 en type 0 voor de werknemers met loonmatigingsbijdrage,
- met werknemerskengetal 857 en type 0 voor de werknemers zonder loonmatigingsbijdrage.

De berekeningsbasis moet worden vermeld.

Als de DMFA wordt ingediend via web, wordt de bijdrage automatisch berekend voor de werknemers voor wie ze verschuldigd is.