Maatregel tot herorganisatie van de arbeidstijd (MRA)

Dit gegeven alleen invullen in de onderstaande gevallen:

1 = Wettelijke systemen tot collectieve herverdeling van de arbeid, waarbij werknemers hun arbeidsprestaties beperken met overeenkomstig loonverlies. Het betreft hier enkel de collectieve arbeidsduurvermindering en 4-dagenweek vóór 1 oktober 2001, die met de verminderingscodes 1331, 1333 en 1341 werden aangegeven (de codes zijn niet meer toepasbaar). Dit systeem geldt enkel voor de privésector. In bepaalde gevallen is voorzien dat deze werknemers een bedrag krijgen met als doel het loonverlies t.o.v. de vroegere prestaties gedeeltelijk te compenseren. Deze bedragen moeten als een apart loonelement worden vermeld (zie looncode 5 bij de bespreking van de aangifte van de bezoldiging);

2 = Systemen voorzien door de CAO nr 42 van 2 juni 1987 met betrekking tot de invoering van nieuwe arbeidsstelsels in de ondernemingen. (De werknemers tewerkgesteld in de zgn. experimenten Hansenne (K.B. 179 van 30/12/1982) mag u hier niet vermelden);

3 = Volledige onderbreking van de loopbaan; enkel de systemen waarbij een tussenkomst van de RVA of WSE (VL)* wordt voorzien, mogen worden aangeduid;

4 = Gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan; enkel de systemen waarbij een tussenkomst van de RVA of WSE (VL) wordt voorzien, mogen worden aangeduid;

5 = Aangepaste arbeid met loonverlies, d.w.z. wanneer de werknemer effectieve arbeidsprestaties levert waarvoor hij een verminderd loon ontvangt ten opzichte van het loon dat hij normaal zou moeten ontvangen (bv. bij werkhervatting na een ziekte met toestemming van de adviserende geneesheer); dit geldt zowel voor een vermindering van het uurloon als voor een vermindering van het aantal te presteren dagen (uren) of een combinatie van beide;

6 = Halftijds brugpensioen;

7 = Vermindering van de prestaties in de openbare sector overeenkomstig de wet van 10 april 1995 (vrijwillige 4-dagenweek, halftijdse vervroegde uitdiensttreding) of overeenkomstig de wet van 19 juli 2012 (4-dagenweek, enkel voor de contractuele werknemers, voor de statutaire werknemers moet men de code 506 of 514 gebruiken).

8 = Verlof voor tijdelijke deeltijdse prestaties voor contractuelen in de openbare sector - niet-bezoldigde deeltijdse afwezigheid; enkel de systemen waarbij geen tussenkomst van de RVA of WSE (VL) wordt voorzien, mogen worden aangeduid.

* WSE (VL) = departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Gewest.

Meer info over het systeem van loopbaanonderbreking in de openbare sector Vlaanderen vindt u op de website van Vlaanderen: https://www.vlaanderen.be/vlaams-zorgkrediet .

Gebruik van de prestatiecode 30

Niet bezoldigde dagen moeten in principe worden aangegeven met prestatiecode 30 (residuaire prestatiecode), behalve:

  • bij systemen waarvoor een tussenkomst van de RVA of van WSE (VL) wordt voorzien;
  • bij de afwezigheidsdagen overeenkomstig de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector of overeenkomstig de wet van 19 juli 2012 betreffende de 4-dagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;
  • voor de afwezigheidsdagen in het kader van een tijdelijke deeltijdse prestatie voor contractuelen in de openbare sector.

In deze gevallen houdt de aanduiding van de MRA-code in dat er niet-bezoldigde afwezigheidsdagen zijn.

Gebruik van MRA-code 3 en 4

Ook de toepassing van een systeem van onderbreking van de loopbaan waar in principe een tussenkomst RVA/WSE (Vl) voor voorzien is, maar waarbij de werknemer toch geen recht heeft op deze tussenkomst voortvloeiend uit de feitelijke omstandigheden (bijvoorbeeld cumulaties), valt onder de MRA-code 3 of 4. Hetzelfde geldt voor de voortzetting van een systeem van loopbaanonderbreking waarvoor initieel wel een tussenkomst voor voorzien is, maar niet voor de volledige periode van onderbreking.

Sinds 1 januari 2015 was het eveneens mogelijk tijdskrediet zonder motief te krijgen, waarvoor geen RVA-tussenkomst werd voorzien. Toch moest ook in deze situatie de MRA-code 3 of 4 gebruikt worden. In toepassing van de aangepaste CAO nr. 103 wordt het tijdskrediet zonder motief afgeschaft vanaf 1 april 2017. Vanaf deze datum kan het enkel nog toegepast worden voor aanvragen en verlengingen die eerder reeds werden goedgekeurd.

Werknemers die ouderschapsverlof nemen op basis van de CAO nr 64 mogen de MRA-codes 3 of 4 niet gebruiken. Voor hen moeten de afwezigheidsdagen / periodes aangegeven worden met prestatiecode 30 (onbetaald verlof).

Statutaire werknemers

Voor statutaire werknemers uit de openbare sector moeten afwezigheidsdagen vanaf 1 januari 2011 aangegeven worden hetzij via één van de nieuwe maatregelen tot herorganisatie, hetzij met één van de nieuwe prestatiecodes. Dit geldt niet voor

  • de situaties waarbij MRA-code 3 of 4 kunnen worden gebruikt;
  • de statutaire werknemers in de vrijwillige 4-dagenweek of halftijdse vervroegde uitdiensttreding in toepassing van de wet van 10 april 1995. Zij worden verder aangegeven met de MRA-code 7.

Voor statutaire werknemers uit de openbare sector kan het verlies van de tussenkomst van de RVA of van WSE (VL) een herziening van hun administratieve toestand tot gevolg hebben (bijvoorbeeld een omzetting van het verlof voor beroepsloopbaanonderbreking in niet-activiteit). In dat geval moeten de codes MRA-code 3 en 4 wél vervangen worden voor de herziene periode, meer bepaald door de MRA-code 510.

Voor 'tijdelijke statutairen' (statuut = TS) in het onderwijs en 'statutaire stagiairs' (statuut = SS) die niet onderworpen zijn aan de pensioenregeling openbare sector, kan de maatregel tot herorganisatie MRA-code 502 ( verlof voor verminderde prestaties om sociale of familiale redenen of het verlof om dwingende redenen van familiaal belang) toepasselijk zijn.

 

Indien voor een werknemer twee noties "herorganisatie van de arbeidstijd" gelijktijdig van toepassing zijn, moet er chronologisch gewerkt worden. Voor iedere wijziging in de situatie wordt een nieuwe tewerkstellingslijn begonnen. Op die nieuwe lijn wordt alleen de "nieuwe" toestand weergegeven.

Voorbeeld

Een voltijdse werknemer werkt in een systeem CAO nr. 42. Hij wordt ziek en na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid, mag hij het werk gedeeltelijk hervatten met toestemming van de adviserende geneesheer. Tot het moment van de werkhervatting worden zijn prestaties (en de periode van volledige arbeidsongeschiktheid) aangegeven op een tewerkstellingslijn met in het veld " maatregel tot herorganisatie van de arbeidstijd" de aanduiding CAO 42. Vanaf het moment dat hij het werk hervat, wordt een nieuwe tewerkstellingslijn begonnen, waarop in het veld "maatregel tot herorganisatie van de arbeidstijd" alleen de aanduiding "aangepaste arbeid" vermeld wordt. Wanneer hij nadien het werk volledig hervat wordt opnieuw een tewerkstellingslijn begonnen met daarop in het veld "maatregel tot herorganisatie van de arbeidstijd" de aanduiding CAO 42.