Verenigingswerkers

 

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 53/2020 van 23 april 2020 (BS van 20 mei 2020) vernietigt de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en de wet van 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Hierdoor is het vanaf 1 januari 2021 niet meer mogelijk om volgens de bijklusregels activiteiten te verrichten voor verenigingen of diensten van burger aan burger.

De wet van 24 december 2020 (BS van 31 december 2020) voorziet een aangepaste regeling voor het verenigingswerk in 2021. Het gaat om een tijdelijke oplossing voor één jaar en enkel voor de sportsector.

 

Een vereniging die verenigingswerkers in dienst neemt is een solidariteitsbijdrage van 10% van de overeengekomen vergoeding verschuldigd aan de RSZ.

Er is eveneens een fiscaal luik, namelijk een belastingheffing van 10%.

De tijdelijke regeling voor verenigingswerk, zoals die sinds 1 januari 2021 is georganiseerd, eindigde op 31 december 2021. Vanaf 1 januari 2022 wordt deze regeling gedeeltelijk opgevangen door het stelsel van artikel 17 van het koninklijk Besluit van 28 november 1969. Zie verder bij 'socioculturele sector en sport'.