Verenigingswerkers

 

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 53/2020 van 23 april 2020 (BS van 20 mei 2020) vernietigt de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en de wet van 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Hierdoor is het vanaf 1 januari 2021 niet meer mogelijk om volgens de bijklusregels activiteiten te verrichten voor verenigingen of diensten van burger aan burger.

De wet van 24 december 2020 (BS van 31 december 2020) voorziet een aangepaste regeling voor het verenigingswerk in 2021. Het gaat om een tijdelijke oplossing voor één jaar en enkel voor de sportsector.

Een vereniging die verenigingswerkers in dienst neemt is een solidariteitsbijdrage van 10% van de overeengekomen vergoeding verschuldigd aan de RSZ.

Er is eveneens een fiscaal luik, namelijk een belastingheffing van 10%.

 

Welke activiteiten worden als verenigingswerk beschouwd?

  1. animator, leider, monitor of coördinator die sportinitiatie en/of sportactiviteiten verstrekt;
  2. sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;
  3. conciërge van sportinfrastructuur;
  4. hulp en ondersteuning bieden op occasionele of kleinschalige basis op het vlak van het administratief beheer, het bestuur, het ordenen van archieven of het opnemen van een logistieke verantwoordelijkheid bij activiteiten in de sportsector;
  5. hulp bieden op occasionele of kleinschalige basis bij het opstellen van nieuwsbrieven en andere publicaties (zoals websites) in de sportsector;
  6. verstrekker van opleidingen, lezingen, en presentaties in de sportsector.

Let wel, werken in onroerende staat kunnen niet in het kader van het verenigingswerk worden uitgevoerd zoals een kantine verbouwen, de aanleg van terreinen... .

 

Welke verenigingen zijn beoogd?

Het betreft, zoals bij het bijklussen, de vereniging, feitelijke vereniging, private of publieke rechtspersoon die geen vermogensvoordeel uitkeert andere dan aan een in de statuten belangeloos doel en die ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen of (in het geval van een feitelijke vereniging) geïdentificeerd is bij de RSZ.

 

Voor wie is het statuut ‘verenigingswerker’ bedoeld?

Dit statuut geldt enkel voor wie minstens 18 jaar is en op kwartaalbasis maximaal gemiddeld 50 uren per maand prestaties verricht die als verenigingswerk worden beschouwd.

De volgende personen komen in aanmerking om verenigingswerk te verrichten :

  • actieve werknemers;
  • gepensioneerden (met inbegrip van de personen met een overlevingspensioen);
  • zelfstandigen (alleen in hoofdberoep). 

Bij het begin van de verenigingsactiviteiten moet aan deze voorwaarde voldaan zijn. De beoordeling gebeurt op basis van de situatie in  (T - 3)  (of  op  (T - 2) voor gepensioneerden):

  • In de 12 tot 9 maanden (= T - 3) voorafgaand aan de start van het verenigingswerk minstens één dag als werknemer of ambtenaar gewerkt hebben.
  • of  in (T - 3) zelfstandige in hoofdberoep zijn en sociale bijdragen betalen;
  • of in (T - 2) gepensioneerd zijn.

Hiervoor wordt rekening gehouden met:

  • de door de werkgever betaalde dagen
  • bepaalde niet door de werkgever betaalde dagen van schorsing van de arbeidsovereenkomst, zoals moederschapsrust, adoptieverlof en tijdelijke werkloosheid
  • evenals de dagen van uitgestelde bezoldiging in het onderwijs.

Tellen niet mee, de prestaties als:

  • 'leerling' in het kader van het alternerend leren,
  • deeltijds leerplichtige,
  • student onder solidariteitsbijdrage,
  • gelegenheidswerknemer in de Horeca of in de land- en tuinbouw en
  • flexi-werknemer.

Voor bepaalde bijzondere situaties moet contact opgenomen worden met de RSZ.

 

Verdere bijzonderheden zijn terug te vinden op de website www.verenigingswerk.be .

 

Wie komt niet in aanmerking?

Zoals bij bijklussen komt al wie door een arbeidsovereenkomst, statutaire aanstelling of dienstverleningsovereenkomst verbonden is met dezelfde vereniging of organisatie niet in aanmerking.

Komen evenmin in aanmerking, al wie bij de vereniging tewerkgesteld is:

  • als uitzendkracht,
  • als tijdelijke werknemer (vervanging of inzet bij tijdelijke vermeerdering van het werk), of
  • als werknemer die ter beschikking werd gesteld door de vereniging.

Bovendien geldt dit verbod voor de periode van één jaar voorafgaand aan het begin van het verenigingswerk. Dit verbod geldt niet indien het ging om een tewerkstelling als student, om een niet-onderworpen tewerkstelling in de socio-culturele sector of bij sportmanifestaties (Dimona 'A17') en voor een gepensioneerde.

De vereniging mag geen 'verenigingswerker' inzetten ter vervanging van een werknemer die ze de afgelopen 4 kwartalen zelf in dienst had of die in dienst was van een vereniging die deel uitmaakt van dezelfde technische bedrijfseenheid.

 

Wat is de minimale vergoeding en wat zijn de maximale vergoedingen die in aanmerking komen?

In tegenstelling met vrijwilligerswerk dat in principe onbetaald is, wordt een minimale vergoeding van 5,10 EUR per uur opgelegd. De inkomsten uit verenigingswerk mogen niet meer bedragen dan 532,50 EUR per maand en 6.390,00 EUR per jaar (inclusief verplaatsingskosten en onkosten). De vermelde bedragen zijn de geïndexeerde bedragen 2021.

De inkomsten via een erkend deeleconomieplatform worden mee in rekening gebracht om na te gaan of het maximum jaarbedrag van 6.390,00 EUR per jaar niet wordt overschreden.

 

Hoe moeten de prestaties aangegeven worden?

De aangifte moet gebeuren vóór de aanvang van het verenigingswerk via een onlinedienst die op de website www.verenigingswerk.be  beschikbaar is.

Bij de start op 1 januari 2021 was de onlinedienst Verenigingswerk nog niet beschikbaar. De aangiftes van prestaties die aanvingen voor de onlinedienst beschikbaar was, moeten retroactief gebeuren.

 

Hoe moeten de bijdragen betaald worden?

De RSZ zal ten laatste op de 5de dag van de 2de maand na het kwartaal waarop de aangifte betrekking heeft, een betalingsverzoek overmaken aan de verenigingen met vermelding van het rekeningnummer. De verenigingen zijn gehouden de meegedeelde solidariteitsbijdrage te storten uiterlijk op de laatste dag van die maand.

De fiscale bijdrage wordt verrekend via de eindafrekening van de belastingsplichtige.