Extralegale pensioenen - bijkomende bijdrage van 3%

Naast de bijdrage van 8,86% is de werkgever vanaf het 4de kwartaal van 2012, telkens in het 4ede kwartaal van ieder bijdragejaar (het jaar n) een bijkomende bijdrage verschuldigd (de zogenaamde Wijninckxbijdrage). Deze bijdrage betreft de werknemers die aangesloten zijn bij een pensioenengagement van de werkgever.


Betrokken werkgevers

De werkgever is deze bijzondere bijdrage verschuldigd wanneer voor ten minste één van zijn werknemers de betaalde bedragen voor de opbouw van een aanvullend pensioen de pensioendoelstelling overschrijden.

 

De berekening van de bijdrage

In fase 1 (tot en met 2018) werd eerst de overschrijding berekend van de som van de bedragen betaald door zowel de werkgever als de werknemer ten opzichte van een vastgesteld bedrag om na te gaan of de werkgever voor zijn werknemer de bijzondere bijdrage 3% verschuldigd is. Vervolgens werd de 3 % berekend op het aandeel betaald door de werkgever met als maximum het bedrag van de overschrijding.

In fase 2 (vanaf 2019) wordt de som van 'het wettelijk pensioen' en van 'de verworven reserves' gedurende het referentiejaar afgetoetst aan een 'pensioendoelstelling'. Bij overschrijding van deze pensioendoelstelling is de werkgever een bijdrage van 3 % verschuldigd op zijn aandeel in de toename van de verworven reserves.

De berekeningen worden uitgevoerd door Sigedis die de werkgevers op de hoogte brengt van de verschuldigde bijdragen. De werkgever geeft enkel het totaal voor al zijn werknemers aan in de DmfA.

 

1. Basisprincipes

De bijdrage van 3 % wordt berekend op het positieve verschil tussen X en Y.

X stemt overeen met de som van

  1. de bedragen toegewezen aan de rekening(en) betreffende de opbouw van een aanvullend rust- en/of overlevingspensioen ten voordele van de werknemer tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar en
  2. het bedrag van de premie(s) ter dekking van het risico overlijden van de werknemer, gevraagd tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat door de pensioeninstelling om dit risico te dekken.

Met aanvullend rust- en/of overlevingspensioen en dekking van het risico overlijden, worden enkel die bedoeld waarvan de uitvoering toevertrouwd is aan een pensioeninstelling, met uitzondering van degene die gefinancierd worden door provisies op de passiefzijde van de balans van de onderneming, of door een bedrijfsleidersverzekering. Daarnaast komen vóór het bijdragejaar 2014 niet in aanmerking degene die, in voorkomend geval, opgebouwd worden op het niveau van de sector waartoe de werkgever voor de betrokken werknemer behoort.

Zowel de bedragen betaald door de werkgever als deze betaald door de werknemer moeten in aanmerking genomen worden om te zien of de grens overschreden wordt. De bijzondere bijdrage wordt evenwel alleen berekend op het werkgeversdeel in de opbouw van het aanvullend pensioen en in de overlijdensdekking, niet op het deel van de werknemer dat de grens overschrijdt.

Voorbeeld: De werkgever betaalt 25.000 EUR en de werknemer betaalt 40.000 EUR. De grens voor het bijdragejaar 2018 is overschreden met 32.528 EUR maar de bijdrage wordt alleen berekend op de 25.000 EUR betaald door de werkgever.

Y bedraagt 32.472,00 EUR voor het bijdragejaar 2018.

Dit bedrag wordt vanaf 2013 geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971.

Vorige bedragen:

  • 30.000,00 EUR voor het bijdragejaar 2012
  • 31.212,00 EUR voor het bijdragejaar 2013, 2014, 2015 en ook voor 2016
  • 31.836,00 EUR voor het bijdragejaar 2017

2. Bedragen in aanmerking te nemen voor de berekening van X

A. Bedragen bestemd voor de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen

a) Individualiseerbaar pensioenplan

Men neemt de bedragen toegewezen aan de rekening van de werknemer tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar. Voor het bijdragejaar 2018 zijn dit de bedragen betaald in de loop van 2017.

b) Niet individualiseerbaar pensioenplan

Bij gebrek aan een rekening betreffende de opbouw van een aanvullend rust- en/of overlevingspensioen voor de bedoelde werknemer, wordt het bedrag van het verschil van de verworven reserves in aanmerking genomen, wanneer dit positief is, tussen de verworven reserves berekend op 1 januari van het bijdragejaar (n) en de verworven reserves berekend op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar (n-1). Alvorens dit verschil vast te stellen worden de verworven reserves op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, vooraf gekapitaliseerd tegen een rentevoet van 6 %.

Voor het bijdragejaar 2018 gebeurt de berekening van het verschil dus als volgt: de verworven reserves op 1/1/2018 – (de verworven reserves op 1/1/2017 x 1,06).

Bijzondere gevallen.

Indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst een andere datum voorziet voor de herberekening, worden de verworven reserves respectievelijk berekend op de dichtste herberekeningsdatum tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar en tijdens het jaar dat voorafgaat aan dit jaar.

Voorbeeld: de berekeningsdatum voorzien in de overeenkomst is 1 april van ieder jaar. Voor het bijdragejaar 2018 wordt het verschil als volgt berekend: de verworven reserves op 1/4/2017 – (de verworven reserves op 1/4/2016 x 1,06).

Wanneer de verworven reserves niet kunnen berekend worden op de voorziene datum omwille van een bijzondere gebeurtenis die is tussengekomen in de loop van de opbouw van het pensioen (nieuwe aansluiting, overlijden, individuele overdracht van de reserves naar een andere instelling, …), worden ze als volgt berekend:

  • de verworven reserves die normaal berekend moeten worden op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar (n-1), op het eerste tijdstip dat volgt op 1 januari van het jaar (n-1) of dat volgt op de datum van herberekening van het jaar (n-2).
  • de verworven reserves die normaal berekend moeten worden op 1 januari van het bijdragejaar (n): op het laatste tijdstip dat 1 januari van het jaar (n) voorafgaat of dat de datum van herberekening van het jaar (n-1) voorafgaat.

Alvorens dit verschil vast te stellen worden de verworven reserves die normaal berekend moeten worden op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, vooraf gekapitaliseerd tegen een rentevoet van 6 %.

B. Bedragen bestemd ter dekking van het risico overlijden (voor zover zij niet al begrepen zijn in A)

a) Individualiseerbare overlijdenspremies

Men neemt de bedragen van de premies bestemd voor de dekking van het risico overlijden tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar. Voor het bijdragejaar 2018 zijn dit de bedragen betaald in de loop van 2017.

b) Niet individualiseerbare overlijdenspremies

Indien de overlijdenspremies niet individueel worden berekend per werknemer in functie van zijn leeftijd, verkrijgt men het in aanmerking te nemen bedrag door de normaal verschuldigde uitkering in geval van overlijden, berekend op 1 januari van het jaar (n) (of op de voorziene datum van herberekening in het jaar (n-1), indien deze datum niet 1 januari is), te vermenigvuldigen met de sterftekans die overeenstemt met de leeftijd bereikt door de werknemer in het jaar (n-1).

De sterftekans is die welke voortvloeit uit de sterftetafels bepaald in art ikel 24, § 6, 1° van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, vermenigvuldigd met 0,6.

Voor het bijdragejaar 2018: sterftekans die overeenstemt met de leeftijd bereikt door de werknemer in 2017 * verschuldigde uitkering bij overlijden op 1 januari 2018 (of op de herberekeningsdatum voorzien in de loop van 2017 indien deze niet 1 januari is).

Bedrag van de bijdrage

De bijdrage is 3 % van het verschil tussen X en Y wanneer dit positief is.

Zijn uitgesloten uit de in aanmerking te nemen bedragen:

  • de bedragen die overeenstemmen met de voorzieningen die worden overgedragen onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 515septies van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992
  • de bedragen die overeenstemmen met de kapitalen en afkoopwaarden die worden overgedragen onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 515novies van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992
  • de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten bedoeld in Titel V van Boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen
  • de bijzondere bijdrage van 8,86% die op deze voordelen in het kader van een 2e pensioenpijler verschuldigd is

Te vervullen formaliteiten

Het is een bijdrage die niet gebonden is aan een natuurlijke persoon: de werkgever vermeldt op zijn aangifte de bijdrage en het totale bedrag waarop de bijdrage verschuldigd is voor al zijn werknemers samen. Ook als de overschrijding van de grens gedeeltelijk veroorzaakt wordt door een werknemersbijdrage, wordt alleen het werkgeversdeel op de aangifte vermeld.

Wat moet u vragen aan uw verzekeraar om deze bijdrage correct te kunnen berekenen?

Om deze bijdrage correct te kunnen berekenen zult u de nodige gegevens bij uw verzekeraar moeten opvragen. Gezien het hier gaat om aanvullende pensioen- en overlijdensverzekeringen van meer dan 30.000 EUR, zal het aantal betrokken werknemers vrij klein zijn. Uw verzekeraar zal normaal gezien op de hoogte zijn van de gegevens die nodig zijn om deze bijdrage te berekenen. Hij zal deze gegevens immers ook moeten overmaken aan Sigedis in het kader van de aangiften aan de Databank Aanvullende Pensioenen (DB2P). Op de website van Sigedis zullen binnenkort de instructies voor deze aangifte gepubliceerd worden.

Samengevat moet u volgende gegevens vragen voor de werknemers van wie u vermoedt dat de grens kan overschreden zijn voor het bijdragejaar 2018.

  • Indien het gaat om een pensioen- en/of overlijdensverzekering waarbij de gestorte bedragen toegewezen worden aan de rekening van een welbepaalde werknemer:
    • de voor iedere betrokken werknemer betaalde bedragen in 2017, zowel het werknemers- als het werkgeversdeel.
  • Indien het gaat om een pensioenverzekering waarbij de gestorte bedragen NIET toegewezen worden aan een welbepaalde werknemer:
    • de verworven reserves op 1 januari 2017 en op 1 januari 2018, of op de datums zoals hierboven uitgelegd indien het gaat om:
      • een verzekering die op een andere datum dan 1 januari herberekend wordt,
      • er zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die een berekening op de normaal voorziene datums onmogelijk maakte.
  • Indien het gaat om een overlijdensverzekering waarbij de gestorte bedragen NIET dienen voor een welbepaalde werknemer:
    • het verzekerde bedrag op 1 januari 2018 (of op de datum zoals hierboven uitgelegd als het gaat om een verzekering die op een andere datum herberekend wordt)
    • de sterftekans van de werknemer in functie van zijn leeftijd en geslacht.

Voorbeeld (bijdragejaar 2018)

  • Mannelijke werknemer geboren op 2 februari 1966.
  • Jaarlijks brutoloon: 200.000 EUR
  • Aangesloten bij twee pensioenplannen:
    • Plan met vaste bijdragen (persoonlijk pensioenplan met overlijdensdekking beheerd op basis van een gemengde verzekering): 3.000 EUR per maand betaald door de werkgever en de werknemer betaalt eveneens 3.000 EUR per maand.
    • Plan met vaste opbrengst beheerd met collectieve kapitalisatie voor de opbouw van een aanvullend pensioen. Voorziene datum van herberekening: 1 maart. Verworven reserves op 1 maart 2017 200.000 EUR. Verworven reserves op 1 maart 2016: 160.000 EUR.
  • Overlijdensdekking, niet voorzien door de variatie van de reserves en niet individualiseerbaar: 3 maal het bruto jaarloon.
    Q45 (sterftekans op 45 jaar volgens de tabel MK)= 0,004862.

Plan met vaste bijdrage:
Werkgeversdeel: 3.000 EUR * 12= 36.000 EUR
Werknemersdeel: 3.000 EUR * 12= 36.000 EUR
Er bestaat een overlijdensdekking, maar deze is gefinancierd door de bedragen die toegewezen worden aan de rekening van de werkgever want het is een gemengde verzekering. Ze moet dus niet apart gerekend worden.

Plan met vaste opbrengst:
Collectieve kapitalisatie voor de opbouw van het aanvullend pensioen: 200.000 EUR – ( 160.000 EUR * 1,06)= 30.400 EUR
Niet individualiseerbare overlijdensdekking: 3 * 200.000 EUR *(0,004862 * 0,6)= 1.750,32 EUR

Totaal in aanmerking te nemen voor de berekening:
36.000,00 EUR + 36.000,00 EUR + 30.400,00 EUR + 1.750,32 EUR= 104.150,32 EUR

De grens van 32.472 EUR is overschreden met 71.678,32 EUR
Werkgeversdeel: 68.150,32 EUR
Werknemersdeel: 36.000,00 EUR

Bedrag van de verschuldigde bijdrage (alleen het werkgeversdeel): 68.150,32 * 3 %= 2.044,50 EUR

Bijkomende informatie DmfA (en DmfAPPL) - extralegale pensioenen : bijkomende bijdrage van 3%

In DMFA wordt de bijkomende bijdrage van 3 % op de extralegale pensioenen per werkgever globaal aangegeven in het blok 90002 "bijdrage niet gebonden aan een natuurlijk persoon" met werknemerskengetal 867. De aangifte kan enkel gebeuren in het vierde kwartaal van elk jaar.
Het is toegelaten om alle gegevens van de onderneming aan te geven onder één enkele werkgeverscategorie.

De berekeningsbasis moet vermeld worden. Deze stemt overeen met het totaal van alle bedragen waarop de bijdrage verschuldigd is voor alle betrokken werknemers.

Als de DMFA wordt ingediend via web moet de berekeningsbasis vermeld worden bij de bijdragen voor het geheel van de onderneming en de bijdrage wordt automatisch berekend.