Gemeenschappelijke bepalingen

Het systeem van toekenning, berekening en aangifte van de bijzondere bijdrage en inhouding SWT en SWAV, heeft een aantal elementen gemeenschappelijk. Het blijkt ook dat het in de praktijk niet eenvoudig is dit correct toe te passen. Wie vragen heeft over de correcte manier van berekenen en/of aangeven kan deze richten aan: decava@rsz.fgov.be

VERHOGINGEN EN VERMINDERINGEN

Hertewerkstelling bij een andere werkgever

De bijzondere werkgeversbijdragen en de inhoudingen zijn niet verschuldigd voor de periode dat de aanvullende vergoedingen worden doorbetaald (minstens het bedrag dat de betrokkene zou ontvangen wanneer hij verder een uitkering zou genieten) wanneer de werknemer:

  • als loontrekkende opnieuw een betrekking heeft gevonden, voor zover dit niet is bij de werkgever die hem ontslagen heeft of bij een werkgever die tot dezelfde groep behoort.
  • als zelfstandige in hoofdberoep het werk heeft hervat voor zover de activiteiten niet worden uitgeoefend bij de werkgever die hem ontslagen heeft of bij een werkgever die tot dezelfde groep behoort.

Voor de maanden dat de werknemer gedeeltelijk aan het werk is, worden de bijzondere bijdrage en inhoudingen als volgt berekend (aantal dagen omgezet naar een 6-dagen week):

Bijdrage en inhoudingen volledige maand x {(26 – aantal gepresteerde dagen)/ 26}

Voor de telling van de gepresteerde dagen die in mindering worden gebracht, wordt rekening gehouden met elke kalenderdag gedekt door een contract en dit gerelateerd naar een 6-dagen week. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de prestatiebreuk tijdens de periode van hertewerkstelling

Hertewerkstelling bij de eigen werkgever

De bijzondere werkgeversbijdragen en de inhoudingen zijn niet verschuldigd voor de periode dat de aanvullende vergoedingen worden betaald wanneer de werknemer:

  • als loontrekkende opnieuw een betrekking heeft gevonden bij de werkgever d ie hem ontslagen heeft of bij een werkgever die tot dezelfde groep behoort.
  • als zelfstandige in hoofdberoep het werk heeft hervat waarbij hij zijn activiteiten uitoefent bij de werkgever die hem ontslagen heeft of bij een werkgever die tot dezelfde groep behoort.

De aanvullingen zijn loon waarop de gewone socialezekerheidsbijdragen op verschuldigd zijn. Voor de maanden dat de werknemer gedeeltelijk aan het werk is, worden de bijzondere bijdrage en inhoudingen als volgt berekend (aantal dagen omgezet naar een 6-dagen week):

Bijdrage en inhoudingen volledige maand x {(26 – aantal gepresteerde dagen)/ 26}

Voor de telling van de gepresteerde dagen die in mindering worden gebracht, wordt rekening gehouden met elke kalenderdag gedekt door een contract en dit gerelateerd naar een 6-dagen week. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de prestatiebreuk tijdens de periode van hertewerkstelling

Crisismaatregel COVID-19

De hertewerkstelling bij de eigen werkgever in één van de vitale sectoren met behoud van ten minste een gedeelte van de werkloosheidsuitkering, wordt voor werknemers in SWT beschouwd als een type hertewerkstelling bij een andere werkgever. Voor deze periode zijn de bijzondere werkgeversbijdragen en inhoudingen dus niet verschuldigd op de aanvullende vergoedingen en is het evenmin loon.

Deze maatregel geldt voor de maand april en mei 2020.

Onder vitale sectoren wordt begrepen:

  • PC 144, voor zover de werknemer uitsluitend wordt tewerkgesteld op de eigen gronden van de werkgever
  • PC 145, met uitsluiting van de sector inplanting en onderhoud van parken en tuinen
  • PC 146
  • PC 322 voor zover de uitzendarbeider wordt tewerkgesteld bij een gebruiker in één van de hierboven vermelde sectoren.

Onvolledige maanden

Voor de onvolledige maanden wordt de bijdrage enkel gerekend voor de dagen gedekt door de aanvullende vergoedingen als volgt (aantal kalenderdagen omgezet naar een 6-dagen week, een begonnen dag is een gepresteerde dag):

Bijdrage en inhoudingen volledige maand x {dagen gedekt door de aanvullende vergoeding/ 26}

Vormvereiste

De berekeningsbasis voor de bijzondere werkgeversbijdrage en inhoudingen wordt verdubbeld indien de overeenkomst niet expliciet vermeldt dat de aanvulling moeten worden doorbetaald. Voor de ondernemingen onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités houdt dit in dat de overeenkomst SWT niet mag afwijken van de CAO nr. 17 tricies. De minimumforfaits bijzondere werkgeversbijdrage SWT worden eveneens verdubbeld. Ze worden respectievelijk op 100,00 EUR, 75,20 EUR, 53,00 EUR, 39,86 EUR, 13,14 EUR, 16,00 EUR en 12,00 EUR gebracht (bedragen geldig vanaf 1 april 2012) .

De berekeningsbasis voor de compenserende bijdrage SWT wordt nooit verdubbeld, omdat ervan uit gegaan wordt dat de sectorakkoorden in orde zijn.

Prestatievereiste

De berekeningsbasis voor de bijzondere werkgeversbijdrage SWAV en de persoonlijke inhoudingen verdubbelt indien de werkgever de werknemer vrijstelt van de normaal voorziene uitoefening van zijn halftijdse arbeidsprestaties (in het geval van tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties).

Indien de werknemer niet vrijgesteld wordt van de normaal voorziene uitoefening van zijn halftijdse arbeidsprestaties (halftijds tijdskrediet), dan mag de berekeningsbasis van de bijzondere werkgeversbijdragen verminderd worden met 95 % als aan volgende bijkomende voorwaarden wordt voldaan:

  • de aanvullende vergoedingen worden toegekend op basis van een CAO afgesloten in de NAR of binnen een PC of PSC
  • de werknemer wordt effectief vervangen
  • de vervanging wordt voorzien bij CAO afgesloten in de NAR die niet van toepassing kan zijn vóór de eerste dag van de maand volgend op het afsluiten van die CAO.

Indien de werknemer niet vrijgesteld wordt van de normaal voorziene uitoefening van zijn halftijdse arbeidsprestaties (halftijds tijdskrediet), dan mag de berekeningsbasis van de inhouding verminderd worden met 95 % als aan volgende bijkomende voorwaarde wordt voldaan :

  • de aanvullende vergoedingen worden toegekend op basis van een CAO afgesloten in de NAR of binnen een PC of PSC

Aangiftevereiste

De debiteurs die zich aan de aangifteplicht geheel of gedeeltelijk hebben onttrokken, zijn een extra maandelijks forfait verschuldigd afhankelijk van het geval:

  • maandelijkse bijdrage SWT: 159,00 EUR (andere) en 26,50 EUR (non-profit)
  • compenserende bijdrage SWT: 250,00 EUR
  • SWAV: 170,00 EUR.

Redelijkheidsvereiste

Zowel bij maandelijkse als niet-maandelijkse betalingen mogen de inhoudingen of de bijzondere bijdrage het bedrag van de aanvullende vergoedingen niet overschrijden. Vanaf 1 april 2012 wordt voor de bijzondere werkgeversbijdrage het maximumbedrag verhoogd naar 1,5 maal de aanvullende vergoeding.

STORTING VAN DE BIJDRAGE

In principe zijn de bijdragen en de inhoudingen verschuldigd door de schuldenaar (debiteur) van de aanvullende vergoeding, dit wil zeggen, hetzij:

  • de werkgever;
  • het fonds voor bestaanszekerheid van de werkgever;
  • elke andere persoon of elke andere instelling die in de verplichtingen van de werkgever treedt voor de betaling van de aanvullende vergoeding; een faillissement van de werkgever ontslaat de overnemer van de verplichting niet van de volledige uitvoering van het oorspronkelijk afgesloten akkoord.

Volgende regels gelden wanneer de aanvullende vergoedingen door verscheidene schuldenaars verschuldigd zijn:

  • Wanneer gedeeltelijk de werkgever en gedeeltelijk zijn fonds voor bestaanszekerheid (of elke andere persoon of elke andere instelling die in de plaats treedt van de verplichtingen van de werkgever), de aanvullende vergoedingen stort, moeten de bijzondere werkgeversbijdragen integraal door de debiteur van de hoogste aanvullende vergoeding (hoofddebiteur) aan de RSZ betaald worden, berekend op het totale bedrag van de gestorte aanvullende vergoedingen. Een binnen het bevoegde paritair comité afgesloten CAO kan van dit principe afwijken. De inhoudingen moeten aangegeven en doorgestort worden door de hoofddebiteur. Hiervan kan men niet afwijken met een CAO.
  • Wanneer twee verschillende werkgevers een aanvullende vergoeding versc huldigd zijn ten gevolge van twee deeltijdse betrekkingen, neemt elke werkgever een deel van de bijdragen ten laste op de volgende manier:

    Bijzondere bijdrage en inhoudingen volledige maand x Q/S met
    • Q is de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van de deeltijdse werknemer (eventueel verhoogd met de uren inhaalrust);
    • S is de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van een werknemer die in dezelfde functie voltijds werd tewerkgesteld in dezelfde onderneming (eventueel verhoogd met de uren inhaalrust).
  • Een uitzondering wordt gemaakt wanneer een gekapitaliseerde aanvulling wordt uitbetaald naast een maandelijkse aanvulling door verschillende debiteurs. Op dat moment wordt niet gekeken naar de hoofddebiteur, maar moeten de bijzondere bijdragen en inhoudingen apart worden berekend en aangegeven, rekening houdend met het volgens de aanvullende vergoedingen geproratiseerde aandeel. De proratisering gebeurt op basis van het theoretisch maandbedrag van de aanvullingen over de beschouwde periode

Als de aanvullende vergoedingen volgens verschillende systemen worden uitgekeerd, zijn verschillende blokken nodig om de bijzondere werkgeversbijdrage aan te geven. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de aangifte van sectorale aanvullende vergoedingen die doorbetaald worden tot aan de pensioenleeftijd terwijl de werkgever zelf een aanvullende vergoeding betaalt tot 60 jaar. De minimumforfaits moeten geproratiseerd worden overeenkomstig de verhouding tussen de verschillende aanvullende vergoedingen.

Indien de aanvullende vergoedingen tot en met de maand dat de begunstigde de leeftijd van 65 jaar bereikt, met een lagere frequentie dan de maandelijkse worden betaald, zijn de bijzondere bijdrage en de inhouding verschuldigd op het moment van uitbetaling op het aantal maanden dat de uitbetaling dekt en is het bedrag van de bijdrage na de afrekening niet meer herzienbaar op basis van nadien gewijzigde elementen. Dit is het geval wanneer:

  • de periodiciteit waarmee aanvullingen worden uitgekeerd groter is dan één maand (jaarlijks, in één keer, …)
  • de periodiciteit bij aanvang misschien wel maandelijks is, maar de aanvullingen niet tot aan de pensioengerechtigde leeftijd doorlopen (maar bijvoorbeeld maar tot 60 jaar).

Voor het SWAV moet men rekening houden met het theoretisch bedrag van de werkloosheidsuitkering dat van toepassing is op het moment van de betaling van de aanvullende vergoeding. Indien de aanvullende vergoeding niet tot aan het wettelijk pensioen wordt betaald, mag men - voor de inhouding - rekening houden met de evolutie van de werkloosheidsvergoeding in de tijd, op basis van de op dat moment zekere en vaststaande elementen en op voorwaarde dat dit gebeurt op voorlegging van een attest van de uitbetalingsinstelling.

Opgelet: bij de aanvang van het SWAV leveren de uitbetalingsinstellingen slechts voorlopige attesten af. Dat wil zeggen dat daarbij geen rekening wordt gehouden met de loopbaan en er slechts zekerheid is over de eerste 14 maanden (= tot en met de 1ste fase van de 2de vergoedingsperiode).  Om die reden moet het dagbedrag van de 14de maand als dagbedrag gehanteerd worden voor alle maanden die daar nog op volgen.  

INFORMATIEPLICHT

De laatste werkgever heeft de verplichting om de gegevens te verzamelen betreffende alle betaalde aanvullende vergoedingen en deze informatie over te maken aan alle debiteurs en aan zijn sociaal secretariaat met vermelding van de identiteit van de hoofddebiteur die verantwoordelijk is voor de bijdragen. Het Fonds van Bestaanszekerheid dat een aanvulling uitkeert, deelt dit mee aan de laatste werkgever van de begunstigde.

De werkgever vult een formulier van de RVA in o.a. met vermelding van alle debiteurs en de hoofddebiteur. Hij maakt dit over aan de werknemer die het formulier, samen met zijn gezinssituatie, doorgeeft aan zijn uitbetalingsinstelling (SWT en SWAV) of aan het RVA-kantoor van het ambtsgebied van zijn woonplaats (tijdskrediet, loopbaanonderbreking).

De uitbetalingsinstelling of de RVA informeert de debiteur over het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering, de gezinssituatie van de rechthebbende en eventuele werkhervattingen en de beëindiging ervan. De rechthebbende informeert de uitbetalingsinstelling en de debiteur telkens zijn situatie wijzigt.

De RVA deelt aan de RSZ de gegevens mee waarover zij beschikt opdat de RSZ de nodige controles kan uitvoeren.

Indien de debiteur door de begunstigde niet tijdig op de hoogte gebracht wordt van een wijziging in zijn situatie, mag hij niet-uitgevoerde inhoudingen bij de rechthebbende invorderen.