Das Portal der sozialen Sicherheit verwendet Cookies, um die Website benutzerfreundlicher zu gestalten.

Weitere Informationen × Weiter

Zum Inhalt dieser Seite

Algemene principes

In het kader van dit hoofdstuk verstaat men onder « baremieke wedde » alle elementen die in aanmerking komen om de niet-geïndexeerde brutojaarwedde te bepalen, met uitsluiting van de weddebijslagen, welke brutojaarwedde als basis dient voor de berekening van de maandwedde van de werknemer van de overheidssector.

De lijn van de baremieke wedde mag in geen geval als een soort « kopie » van de lijn van de bezoldiging van de tewerkstelling worden beschouwd.

De gegevens die u op de lijn van de baremieke wedde aangeeft, verschillen van de gegevens van de bezoldiging van de tewerkstelling op het vlak van:
de finaliteit: deze gegevens zijn vooral bedoeld om de referentiewedde te bepalen die als basis dient voor de berekening van het pensioen van de overheidssector;
de inhoud: ze verwijzen naar noties inzake de geldelijke statuten van de overheidssector en werden gedefinieerd met het oog op de bijwerkingen die nodig zijn voor de berekening van het pensioen;
de wijze van aangifte: ze zijn aangegeven per « periodes ».

De lijn van de baremieke wedde is afhankelijk van de lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector. Dit betekent dat u, telkens u een nieuwe lijn van de gegevens met betrekking tot de overheidssector aanmaakt, een lijn van de baremieke wedde moet aanmaken. Bijgevolg moet elke periode van gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector zonder onderbreking door een baremieke wedde gedekt worden.

De lijn van de baremieke wedde beschikt echter over specifieke begin- en einddata.

Derhalve zijn deze data niet gebonden aan de data van de gegevens met betrekking tot de overheidssector noch, a fortiori, aan die van de tewerkstelling, noch aan die van het kwartaal van de aangifte.

Met andere woorden: als u, om een reden die eigen is aan de wijze van aangifte voor de lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot d e overheidssector, een nieuwe lijn van deze gegevens moet aanmaken, maar als de gegevens van de lijn van de baremieke wedde niet veranderen, dient u onder de nieuwe lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector, een lijn van de baremieke wedde te reproduceren die identiek is met die welke u aangegeven heeft onder de vorige lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector.

Zo hoeft u, als de gegevens van de wedde veranderen, maar de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector constant blijven, ook geen nieuwe lijn van de gegevens met betrekking tot de overheidssector aan te maken, maar dient u gewoonweg een nieuwe lijn van de baremieke wedde aan te maken, onder dezelfde lijn van de gegevens met betrekking tot de overheidssector.

Deze situatie zal zich regelmatig voordoen. Voor de meeste betrokken werknemers zullen de gegevens van de wedde immers vaker evolueren dan de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector.

Kortom, de lijn van de baremieke wedde heeft, ten opzichte van de lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector, een autonomie die identiek is met die welke deze laatste lijn ten opzichte van de tewerkstellingslijn heeft.

Terwijl de lijnen van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector alleen elkaar in de tijd kunnen opvolgen (zonder onderbreking ten opzichte van de tewerkstelling waarvan ze afhankelijk zijn), kunnen de lijnen van de wedde, in voorkomend geval, simultaan zijn.

Deze mogelijkheid werd enkel voorzien voor het bijzonder geval waarbij meerdere baremieke wedden afhankelijk zouden zijn van één enkele lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector, en uitgaande van één enkele tewerkstellingslijn. In dergelijke gevallen moet u voor elke simultane lijn, de breuk van de wedde aangeven die er betrekking op heeft.

In de praktijk kan dit geval enkel voorkomen in het onderwijs, waarbij een leraar titularis van verschillende functies kan zijn die tegelijkertijd op basis van verschillende weddeschalen uitgeoefend en bezoldigd worden (bijvoorbeeld in de lagere en hogere secundaire graden).

De wijze van aangifte die erin bestaat meerdere simultane baremieke wedden aan te maken, is echter niet verplicht; integendeel.

Als de verschillende functies van de leerkracht als evenveel verschillende tewerkstellingen beschouwd worden en als dusdanig aangegeven worden, is er de facto slechts één enkele baremieke wedde per lijn van de gegevens van de tewerkstelling met betrekking tot de overheidssector, en dus per tewerkstellingslijn.

Het is trouwens op deze manier dat de onderwijsdepartementen tegenwoordig te werk gaan.

Er is geen bezwaar tegen het feit dat ze hun aangiftes blijven indienen volgens het principe van één tewerkstelling per functie. In werkelijkheid is de aanmaak van meerdere simultane baremieke wedden slechts een facultatief alternatief.

Voor elke tewerkstellingsperiode is er noodzakelijkerwijs een situatie van gegevens met betrekking tot de overheidssector en voor elke situatie van gegevens met betrekking tot de overheidssector, is er noodzakelijkerwijs een situatie van baremieke wedde. Dit impliceert dat, wanneer een tewerkstelling definitief afgesloten wordt (bijvoorbeeld wanneer de overeenkomst of het statuut van de werknemer bij de werkgever beëindigd wordt), de lijn van de gegevens met betrekking tot de overheidssector en de lijn(en) van de baremieke wedde op dezelfde datum als de tewerkstelling beëindigd moeten worden.

De lijn van de baremieke wedde bevat zeven verschillende gegevens. Sommige ervan zijn « onontbeerlijk ». Ze moeten dus in elke lijn worden opgenomen. Andere zijn « in bepaalde omstandigheden verplicht »; ze moeten namelijk slechts worden aangedu id als het geval zich voordoet.

Een nieuwe lijn van de baremieke wedde wordt aangevat zodra een van de volgende gegevens verandert.

Aanpassing ingevolge het Koninklijk Besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. (BS 14 november 2013 ).

Conform het bepaalde in Titel III – Overgangsmaatregelen ten voordele van de personeelsleden in functie bij de inwerkingtreding van dit besluit (artikel 35 en volgende) van het KB van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt (BS 14 november 2013 - eerste editie), de verloning van de personeelsleden in dienst vóór 1 januari 2014 en die verloond werden op basis van een oude weddeschaal ( onder andere Copernicus) zal bestaan uit 3 afzonderlijke bezoldigingselementen vanaf 1 januari 2017:

  • de geblokkeerde oude weddeschaal;
  • een nieuwe verhoging verbonden aan de vooruitgang naar de hogere trap van de oude weddeschalen (artikel 48);
  • de eerste schaalbonificatie en de volgende schaalbonificaties (artikel 42 en 45).

Bovendien moet de som van de wedde verschuldigd overeenkomstig de geblokkeerde weddeschaal, de nieuwe verhoging verbonden aan de vooruitgang naar de hogere trap van de oude weddeschalen, de eerste schaalbonificatie en de volgende bonificaties worden beperkt tot het maximum van de hoogste weddeschaal in de nieuwe loopbaan van de graad of de beschouwde klasse. Dit maximumbedrag wordt opgetrokken tot het bedrag van de laatste trap van de oude weddeschaal of oude specifieke weddeschaal wanneer hun hoogste trap hoger ligt dan het maximum van de hoogste weddeschaal in de nieuwe loopbaan van de graad of de beschouwde klasse, bijvoorbeeld de weddeschaal 22B (artikel 47).

Een eventuele premie voor competentieontwikkeling moet worden afgetrokken van de eerste schaalbonificatie (artikel 44).

Om te vermijden dat voor ieder individu een aparte DmfA weddeschaalreferentie moet worden aangemaakt, heeft men beslist dat de aangifte moet gebeuren onder de vorm van een wedde en een weddebijslag.

Die werkwijze moet worden toegepast in de DmfA vanaf 1 januari 2017 (doch de eerste schaalbonificatie kan reeds vanaf 1 januari 2016 worden toegekend: na 2 jaar geldelijke anciënniteit en 2 keer de evaluatie 'uitzonderlijk').

De concrete aanpassingen vindt u terug in de desbetreffende hoofdstukken. Deze aanpassingen zijn telkens hernomen onder de titel 'Aanpassing ingevolge het Koninklijk Besluit van 25 oktober 2013 (enkel personeel van het federaal niveau)'.