Bijkomende informatie

1 - Technische bijlage voor de werkgever die in het kader van jeugdvakantie een aangifte verricht

Samenvatting

Hieronder vindt u de rekenregels die de sector werkloosheid toepast bij het toekennen van de jeugdvakantie.

U berekent eerst het gewogen aantal betaalde vakantiedagen "J" . Daarna berekent u het maximum aantal vakantie-uren (inclusief de jeugdvakantie) waarop de werknemer recht heeft. Vervolgens gaat u na welke uren gedekt zijn door vakantiegeld. Voor de resterende uren kan een jeugdvakantie-uitkering worden toegekend.

Gebruikte begrippen

Q/S* = actuele tewerkstellingsbreuk in het vakantiejaar, inclusief betaalde compenserende rust

V-uren* = uren betaalde vakantie en/of jeugdvakantie

* minuten decimaal uitdrukken - bvb. 38 u 40' = 38,66

J = het gewogen aantal betaalde vakantiedagen in het zesdaagse stelsel, afgerond naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid

1.1 - Het gewogen aantal betaalde vakantiedagen "J"

De jeugdvakantiedagen worden gegeven ter aanvulling van een onvolledig recht op gewone betaalde vakantie. De werkgever zal dus eerst berekenen hoe groot het onvolledige recht op gewone betaalde vakantie is.

Om rekening te kunnen houden met wijzigingen in de arbeidsregeling (bv. overstap van voltijds naar deeltijds), wordt een gewogen voltijds aantal dagen betaalde vakantie berekend overeenkomstig het zesdaagse stelsel. Dit rekenkundige aantal door vakantiegeld gedekte dagen stemt niet noodzakelijk overeen met het aantal vakantiedagen dat voortvloeit uit de wettelijk voorziene tabel (arbeiders) of uit het principe geldend voor bedienden (twee vakantiedagen per volledige maand).

Berekening van het gewogen aantal betaalde vakantiedagen "J" :

Er wordt één vakantiedag in rekening gebracht per periode van 15 kalenderdagen van tewerkstelling of van gelijkgestelde periode in het vakantiedienstjaar, vermenigvuldigd met de toenmalige tewerkstellingsbreuk.

J = kalenderdagen* x Q / 15 x S + kalenderdagen x Q' / 15 X S' + ...

*(arbeids- en gelijkgestelde dagen)

Het eindresultaat wordt afgerond naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid; bv. 4,25 tot 4,74 wordt 4,5.

Voorbeeld :

Voltijdse tewerkstelling in het vakantiedienstjaar gedurende 68 kalenderdagen en halftijdse tewerkstelling gedurende 20 dagen.

J = (68 x 38) / 15 x 38 + (20 x 19) / 15 x 38 = 5,19 = 5,0 dagen

1.2 - De berekening van het maximum aantal vakantie-uren

Berekening van het maximale aantal V-uren (incl. jeugdvakantie) bij de aanvang van het vakantiejaar :

Dit aantal is gelijk aan één zesde van de actuele wekelijkse arbeidsduur, vermenigvuldigd met 24.

MAXIMUM AANTAL V-UREN = Q/6 x 24

Berekening van het resterende maximale aantal V-uren (incl. jeugdvakantie) bij de aanvang van de actuele arbeidsregeling, indien er in het vakantiejaar een andere werkgever was, of indien de tewerkstellingsbreuk bij de actuele werkgever veranderde :

Dit aantal is gelijk aan één zesde van de actuele wekelijkse arbeidsduur, vermenigvuldigd met het resterende aantal vakantiedagen. Dit resterende aantal dagen is gelijk aan 24 min de reeds genomen vakantieuren, omgezet naar vakantiedagen in het zesdaagse stelsel.

REST. MAX. AANTAL V-UREN = Q/6 x ( 24 - (V-UREN x 6/Q') - (V-UREN x 6/Q'') - (... ) )

Men werkt tot 2 cijfers na de komma.

1.3 - De berekening van het maximum aantal betaalde vakantie-uren

Berekening van het aantal betaalde V-uren (excl. jeugdvakantie) bij de aanvang van het vakantiejaar :

Dit aantal is gelijk aan het gewogen aantal betaalde vakantiedagen, vermenigvuldigd met het theoretische aantal arbeidsuren van een volledige dag omgerekend naar een zesdaags stelsel.

MAX. AANTAL BETAALDE V-UREN = J x S / 6

Berekening van het resterende aantal betaalde V-uren (excl. jeugdvakantie) bij de aanvang van de actuele arbeidsregeling :

Dit aantal is gelijk aan het gewogen aantal betaalde vakantiedagen, vermenigvuldigd met het theoretische aantal arbeidsuren van een volledige dag en verminderd met de reeds genomen vakantieuren die omgezet werden in functie van de huidige arbeidsregeling.

REST. MAX. AANTAL BETAALDE V-UREN = (J x S/6) - { (V-UREN x S/S') - (V-UREN x S/S'') - (...) }

OPGELET: de RVA rondt de genomen betaalde vakantie af naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid. Deze afronding kan leiden tot een resterend aantal betaalde V-uren dat niet identiek is aan het resultaat van de voormelde formule.

Men werkt tot 2 cijfers na de komma.

1.4 - De berekening van het maximum aantal jeugdvakantie-uren.

Berekening van het maximum aantal jeugdvakantie-uren bij de aanvang van het vakantiejaar :

MAX. AANTAL JEUGD V-UREN = max. aantal V-uren - max. aantal betaalde V-uren

Berekening van het resterende maximum aantal jeugdvakantie-uren bij de aanvang van de actuele arbeidsregeling :

REST. MAX. AANTAL JEUGD V-UREN = rest max. aantal V-uren - rest max. aantal betaalde V-uren

2 - Technische bijlage voor de werkgever die in het kader van seniorvakantie een aangifte verricht

Deze technische bijlage illustreert de werkwijze die de RVA toepast bij het toekennen van seniorvakantie-uitkeringen. Het is wenselijk dat de werkgever rekening houdt met deze principes wanneer hij een aangifte seniorvakantie verricht.

Samenvatting

De RVA houdt rekening met het gewogen aantal betaalde vakantiedagen "J". Daarna berekent hij het maximum aantal vakantie-uren (inclusief de seniorvakantie) waarop de werknemer recht heeft. Tot slot gaat hij na welke uren gedekt zijn door het vakantiegeld. Voor de resterende uren kan een seniorvakantie-uitkering worden toegekend. Voor de eerste maand met seniorvakantie (in elk vakantiejaar) verricht u een aangifte scenario 9 en 10, voor de daaropvolgende maanden enkel een aangifte scenario 10.

Gebruikte begrippen (minuten decimaal uitdrukken - bv. 38u40' = 38,66)

Q/S = actuele tewerkstellingsbreuk in het vakantiejaar, inclusief betaalde inhaalrust

V-uren = uren betaalde vakantie en/of seniorvakantie

J = het gewogen aantal betaalde vakantiedagen in het zesdaagse stelsel, afgerond naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid

2.1 - Het gewogen aantal betaalde vakantiedagen "J"

De seniorvakantiedagen worden toegekend als aanvulling van een onvolledig recht op gewone betaalde vakantie. Men moet dus eerst het onvolledige recht op gewone betaalde vakantie berekenen.

Om rekening te kunnen houden met wijzigingen in het arbeidsregime (bv. overstap van voltijds naar deeltijds), wordt een gewogen voltijds aantal dagen betaalde vakantie berekend overeenkomstig het zesdaagse stelsel.

Voltijdse tewerkstelling in het vakantiedienstjaar gedurende 68 kalenderdagen en deeltijdse tewerkstelling gedurende 20 dagen.

J = kal.dagen (arbeid + gelijkstelling) x Q / 15 x S + kalenderdagen x Q' / 15 x S'

= (68 x 38) / (15 x 38 ) + (20 x 19) / (15 x 38 ) = 5,19 = 5,0 dagen

2.2 - De berekening van het maximum aantal vakantie-uren

Berekening van het maximum aantal V-uren (inclusief seniorvakantie) bij de aanvang van het vakantiejaar :

Dit aantal is gelijk aan een zesde van de huidige wekelijkse arbeidsduur, vermenigvuldigd met 24.

MAXIMUM AANTAL V-UREN = Q/S X 24

Berekening van het resterend maximum aantal V-uren (inclusief seniorvakantie) bij de aanvang van de huidige arbeidsregeling, indien er in het vakantiejaar een andere werkgever is geweest of indien de tewerkstellingsbreuk bij de huidige werkgever veranderd is :

Dit aantal is gelijk aan een zesde van de huidige wekelijkse arbeidsduur, vermenigvuldigd met het resterende aantal vakantiedagen. Dit resterende aantal is gelijk aan 24 min de reeds genomen vakantie-uren, omgezet naar vakantiedagen in het zesdaagse stelsel.

REST. MAX. AANTAL V-UREN = Q/6 x ( 24 - (V-UREN x 6/Q') - (V-UREN x 6/Q'') - (... ) )

Er wordt gerekend tot 2 cijfers na de komma.

2.3 - De berekening van het maximum aantal betaalde vakantie-uren

Berekening van het aantal betaalde V-uren (exclusief seniorvakantie) bij de aanvang van het vakantiejaar :

Dit aantal is gelijk aan het gewogen aantal betaalde vakantiedagen, vermenigvuldigd met het theoretische aantal arbeidsuren van een volledige dag, omgerekend naar een zesdaags stelsel.

Max. aantal betaalde V-uren = J X S/6

Berekening van het resterende aantal betaalde V-uren (exclusief seniorvakantie) bij de aanvang van de huidige arbeidsregeling :

Dit aantal is gelijk aan het gewogen aantal betaalde vakantiedagen, vermenigvuldigd met het theoretische aantal arbeidsuren van een volledige dag en verminderd met de reeds genomen vakantie-uren die omgezet werden in functie van de huidige arbeidsregeling.

REST. MAX. AANTAL BETAALDE V-UREN = (J x S/6) - { (V-UREN x S/S') - (V-UREN x S/S'') - (...) }

De RVA rondt de genomen betaalde vakantie af naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid. Deze afronding kan leiden tot een resterend aantal betaalde V-uren dat niet identiek is aan het resultaat van de voormelde formule.

Er wordt gerekend tot 2 cijfers na de komma.

2.4 - De berekening van het maximum aantal seniorvakantie-uren

Berekening van het maximum aantal seniorvakantie-uren bij aanvang van het vakantiejaar :

MAX. AANTAL SENIOR V-UREN = max. aantal V-uren - max. aantal betaalde V-uren

Berekening van het resterende maximum aantal seniorvakantie-uren bij aanvang van de huidige arbeidsregeling :

REST. MAX. AANTAL SENIOR V-UREN

= rest. max. aantal V-uren - rest. max. aantal betaalde V-uren.

VOORBEELDEN

GEBRUIKTE BEGRIPPEN (minuten decimaal uitdrukken - bv. 38u40' = 38,66)

Q/S = huidige tewerkstellingsbreuk in het vakantiejaar, inclusief betaalde inhaalrust (Q is de normale gemiddelde arbeidsduur van de werknemer, S is de normale gemiddelde arbeidsduur van de maatpersoon)

V-uren = uren betaalde vakantie en/of seniorvakantie

J = het gewogen aantal betaalde vakantiedagen in het zesdaagse stelsel, afgerond naar de dichtstbijzijnde halve of volledige eenheid.

Voorbeeld 1

1. Q/S = 19/38

2. J = 6,0

3. Max. aantal V-uren = Q/6 x [24 - (V-uren x 6/Q)] = 19/6 x [24 - 0] = 76 u

4. Aantal betaalde V-uren = (J x S/6) - (V-uren x S/S) = [(6 x 38/6)- 0] = 38 u

5. Max. aantal seniorvakantie-uren = 76 - 38 = 38 u

Voor de eerste maand met seniorvakantie verricht u een aangifte scenario 9 en 10, voor de volgende maanden enkel een scenario 10.

Voorbeeld 2

1. Q/S = 38/38

2. J = 12,0

3. Max. aantal V-uren = Q/6 x [24 - (V-uren x 6/Q)] = 38/6 x [24 - 0] = 152 u

4. Aantal betaalde V-uren = (J x S/6) - (V-uren x S/S) = [(12 x 38/6)- 0] = 76 u

5. Max. aantal seniorvakantie-uren = 152 - 76 = 76 u

Voor de eerste maand met seniorvakantie verricht u een aangifte scenario 9 en 10, voor de volgende maanden enkel een scenario 10.

Voorbeeld 3

1. Q/S = 19/38

2. J = 12,0

3. Max. aantal V-uren = Q/6 x [24 - (V-uren x 6/Q)] = 19/6 x [24 - 0] = 76 u

4. Aantal betaalde V-uren = (J x S/6) - (V-uren x S/S) = [(12 x 38/6)- 0] = 76 u

5. Max. aantal seniorvakantie-uren = 76 - 76 = 0 u

U verricht geen aangifte seniorvakantie.

Voorbeeld 4

1. Q/S = 38/38

2. J = 6,0

3. Max. aantal V-uren = Q/6 x [24 - (V-uren x 6/Q)] = 19/6 x [24 - 0] = 76 u

4. Aantal betaalde V-uren = (J x S/6) - (V-uren x S/S) = [(12 x 38/6)- 0] = 76 u

5. Max. aantal seniorvakantie-uren = 76 - 76 = 0 u

U verricht geen aangifte seniorvakantie.

3 - Wetgeving jeugd- en seniorvakantie

3.1 - Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

Artikel 7

§1. Bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg wordt een Rijksdienst voor arbeidsvoorziening opgericht.

Deze dienst is een publiekrechtelijk lichaam bekleed met rechtspersoonlijkheid.

Onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak : (...)

o) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van jeugdvakantie-uitkeringen voor de jeugdvakantiedagen bedoeld in artikel 5 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971. (Wet 22-5-2001 - BS 21-6-2001 - IW 1-1-2001, vanaf vakantiedienstjaar 2000, vakantiejaar 2001)

(...)

x) met behulp van de organismen opgericht krachtens punt i) de uitbetaling verzekeren van seniorvakantie-uitkeringen voor de seniorvakantiedagen bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van december 2005. (art. 54 Wet Generatiepact 23.12.2005 - BS 30.12.2005 - IW 01.01.2007).

§1ter. De jeugdige werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, heeft in het vakantiejaar recht op de jeugdvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, o), indien hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en na deze beëindiging arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende ten minste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.

De jonge werknemer kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij gerechtigd is, voor de jeugdvakantiedagen jeugdvakantie-uitkeringen bekomen.

De jeugdvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder arbeid als loontrekkende gedurende ten minste een maand. (Wet 22-5-2001 - BS 21-6-2001 - IW 1-1-2001, vanaf vakantiedienstjaar 2000, vakantiejaar 2001).

§1quater. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft in het vakantiejaar tijdens de tewerkstelling als loontrekkende recht op de seniorvakantiedagen bedoeld in § 1, derde lid, x), indien hij ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.

De werknemer bedoeld in het eerste lid kan, na uitputting van de gewone vakantiedagen waarop hij eventueel gerechtigd is, voor de seniorvakantiedagen seniorvakantie-uitkeringen bekomen.

De seniorvakantie-uitkering wordt voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een werkloosheidsuitkering. Zij wordt toegekend onder de voorwaarden en de modaliteiten die door de Koning worden vastgesteld, ten laste van de werkloosheidsverzekering. De Koning bepaalt eveneens wat verstaan wordt onder "ingevolge werkloosheid in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie", zoals vermeld in het eerste lid, en welke regelen toegepast worden ten aanzien van werknemers die in het vakantiedienstjaar tewerkgesteld zijn geweest met toepassing van de vakantieregeling geldend voor openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als leerkracht. (art. 54 Wet Generatiepact 23.12.2005 - BS 30.12.2005 - IW 01.01.2007)

3.2 - Koninklijk Besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers

Artikel 5

De jeugdige werknemers, die aan de krachtens artikel 7§1ter, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de werknemers, gestelde voorwaarden voldoen, hebben recht op aanvullende vakantiedagen van maximum vier weken, verminderd met de bij deze wet bedoelde vakantiedagen. (Wet 22-5-2001 - IW 1-1-2001, vanaf vakantiedienstjaar 2000, vakantiejaar 2001)

De oudere werknemers, die aan de krachtens artikel 7, § 1quater, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gestelde voorwaarden voldoen, hebben recht op aanvullende vakantiedagen ten belope van maximum vier weken, verminderd met de bij deze wet bedoelde vakantiedagen. (art. 55 Wet 23.12.2005 - BS 30.12.2005 - IW 01.01.2007)

3.3 - Koninklijk Besluit 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering

3.3.1 - Artikel 36bis

§1. Om voor het vakantiejaar toegelaten te worden tot het recht op de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, moet de jonge werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt heeft, aantonen dat hij in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding heeft beëindigd, en arbeid als loontrekkende heeft verricht gedurende ten minste één maand in de loop van het vakantiedienstjaar.

De tewerkstellingsvoorwaarde vermeld in het eerste lid is slechts vervuld indien de jonge werknemer na de beëindiging van zijn studies, leertijd of opleiding verbonden was door een arbeidsovereenkomst gedurende ten minste één maand en op grond hiervan ten minste 13 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de zin van de artikelen 37 of 38 in rekening kan brengen. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met arbeid waarop de bijzondere vakantieregeling geldend voor openbare diensten of een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs, van toepassing is.

§ 2. De werknemer die op 31 december van het vakantiedienstjaar ten minste de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, kan toegelaten worden tot het recht op de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 2, indien hij ingevolge een periode van volledige werkloosheid of invaliditeit in het vakantiedienstjaar, gedurende het vakantiejaar geen recht heeft op vier weken betaalde vakantie.

In afwijking van de bepalingen van deze afdeling, wordt de werknemer bedoeld in het eerste lid tot het recht op de seniorvakantie-uitkering toegelaten met vrijstelling van wachttijd.

3.3.2 - Artikel 78bis

§1. De jonge werknemer die voldoet aan de wachttijdvoorwaarden van artikel 36bis, is gerechtigd op de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 131ter, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden:

1° de werknemer voldeed niet reeds tijdens één van de vorige kalenderjaren aan de voorwaarden om te genieten van jeugdvakantie-uitkeringen of aanvullende vakantie krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers zoals van kracht tot 31 december 2000;

2° de werknemer heeft vóór de dag waarvoor de uitkering wordt aangevraagd, de gewone betaalde vakantiedagen waarop hij overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie gerechtigd is, reeds uitgeput tijdens of aansluitend aan een tewerkstelling als loontrekkende of tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid;

3° de jeugdvakantie-uitkering wordt gevraagd voor dagen gelegen in een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst en de werknemer geniet op dit tijdstip niet van de bijzondere vakantieregeling toepasselijk op openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs;

4° de werknemer is gedurende de vakantie-uren werkloze zonder loon in de zin van artikel 46 en zonder vervangingsinkomen.

De jeugdvakantie-uitkering wordt slechts toegekend voor jeugdvakantiedagen ten belope van vier weken, verminderd met de gewone betaalde vakantiedagen waarop de jonge werknemer gerechtigd is overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie van de werknemers en overeenkomstig het stelsel van de openbare sector, uitgedrukt in het zesdaagse stelsel, en zonodig afgerond overeenkomstig de regel voorzien in artikel 131 ter, laatste lid.

De jonge werknemer kan geen wacht- of werkloosheidsuitkering als tijdelijk werkloze ingevolge de sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie genieten zolang hij gerechtigd is op jeugdvakantie.

De jeugdvakantie-uitkering wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 42, 79, § 4, 92 en 93.

De jeugdvakantie-uitkering wordt niet als een werkloosheidsuitkering beschouwd voor de berekening van de werkloosheidsduur vereist in hoofde van de kandidaat voor een activeringsprogramma in de zin van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en voor een tewerkstellingsmaatregel, behalve indien de jeugdvakantiedag gelegen is in een tewerkstelling die gelijkgesteld wordt met vergoede werkloosheid.

Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen of met de bezoldiging van een werknemer, wordt de jeugdvakantie-uitkering gelijkgesteld met vakantiegeld. Bij de berekening van de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis wordt voor de vaststelling van het nettoloon evenwel geen rekening gehouden met het bedrag van de jeugdvakantie-uitkering. (K.B. 13-6-2001 - B.S. 26-6)

§ 2. De werknemer die vrijgesteld is van het doorlopen van de wachttijd overeenkomstig artikel 36bis, § 2, is gerechtigd op de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 131ter, indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden:

1° de werknemer heeft vóór de dag waarvoor de uitkering wordt aangevraagd, de gewone betaalde vakantiedagen waarop hij in voorkomend geval overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie gerechtigd is, reeds uitgeput tijdens of aansluitend aan een tewerkstelling als loontrekkende of tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid;

2° de seniorvakantie-uitkering wordt gevraagd voor dagen gelegen in een periode tijdens dewelke de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst en de werknemer geniet op dit tijdstip niet van de bijzondere vakantieregeling toepasselijk op openbare diensten of van een regeling van uitgestelde bezoldiging als werknemer tewerkgesteld in het onderwijs;

3° de werknemer is gedurende de vakantie-uren werkloze zonder loon in de zin van artikel 46 en zonder vervangingsinkomen.

De seniorvakantie-uitkering wordt slechts toegekend voor seniorvakantiedagen ten belope van vier weken, verminderd met de gewone betaalde vakantiedagen waarop de werknemer in voorkomend geval gerechtigd is overeenkomstig de regeling inzake jaarlijkse vakantie van de werknemers en overeenkomstig het stelsel van de openbare sector, uitgedrukt in het zesdaagse stelsel, en zonodig afgerond overeenkomstig de regel voorzien in artikel 131ter, laatste lid.

De werknemer kan geen wacht- of werkloosheidsuitkering als tijdelijk werkloze ingevolge de sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie genieten zolang hij gerechtigd is op seniorvakantie.

De seniorvakantie-uitkering wordt, in afwijking van artikel 27, 4°, niet als een uitkering beschouwd voor de toepassing van de artikelen 42, 79, § 4, 92 en 93.

De seniorvakantie-uitkering wordt niet als een werkloosheidsuitkering beschouwd voor de berekening van de werkloosheidsduur vereist in hoofde van de kandidaat voor een activeringsprogramma in de zin van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en voor een tewerkstellingsmaatregel, behalve indien de seniorvakantiedag gelegen is in een tewerkstelling die gelijkgesteld wordt met vergoede werkloosheid.

Voor de toepassing van de bepalingen in dit besluit waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen of met de bezoldiging van een werknemer, wordt de seniorvakantie-uitkering gelijkgesteld met vakantiegeld. Bij de berekening van de inkomensgarantie-uitkering bedoeld in artikel 131bis wordt voor de vaststelling van het nettoloon evenwel geen rekening gehouden met het bedrag van de seniorvakantie-uitkering.

3.3.3 - Artikel 131ter

Het dagbedrag van de jeugdvakantie-uitkering waarop de jonge werknemer bedoeld in artikel 78bis gerechtigd is, bedraagt 65 % van het gemiddeld dagloon waarop de jonge werknemer normaal recht zou hebben op het tijdstip waarop hij in het vakantiejaar voor het eerst jeugdvakantiedagen neemt.

Het dagbedrag van de seniorvakantie-uitkering waarop de werknemer bedoeld in artikel 78bis, § 2, gerechtigd is, bedraagt 65 % van het gemiddeld dagloon waarop de werknemer normaal recht zou hebben op het tijdstip waarop hij in het vakantiejaar voor het eerst seniorvakantiedagen neemt.

Het dagloon wordt begrensd overeenkomstig artikel 111, en bepaald rekening houdend met de loonschijven vastgesteld krachtens artikel 119. De berekening van het gemiddeld dagloon geschiedt op de wijze die door de Minister wordt bepaald krachtens artikel 119 voor de berekening van de uitkering van de werknemer die tijdelijk werkloos wordt gesteld in een voltijdse dienstbetrekking.

Het aantal daguitkeringen wordt per maand bekomen door toepassing van de formule V x 6 / S - saldo J waarbij V gelijk is aan het aantal uren van werkloosheid ingevolge vakantie, jeugdvakantie of seniorvakantie en J gelijk is aan het gewogen aantal dagen dat voltijds gedekt is door vakantiegeld.

Wanneer de decimale breuk van het bekomen resultaat minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond. (K.B. 13-6-2001 - B.S. 26-6-2001 - I.W. 1-1-2001)

3.3.4 - Artikel 133, §1

Een dossier bevattende een uitkeringsaanvraag en alle stukken welke de directeur nodig heeft om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen, moet bij de uitbetalingsinstelling ingediend worden door:

(...)

9° de jonge werknemer die de jeugdvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 1 aanvraagt, uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar (KB 22.6.2004 - BS 2.7.2004 - IW 1.1.2004)

9°bis de werknemer die de seniorvakantie-uitkering bedoeld in artikel 78bis, § 2, aanvraagt, uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het vakantiejaar (KB 24.1.2007 - BS 31.1.2007 - IW 1.1.2007)

3.3.5 - Artikel 137 § 2

De werkgever overhandigt op verzoek van de werknemer : (...)

4° een "bewijs van jeugdvakantie" aan de jonge werknemer bedoeld in artikel 78bis, die aanspraak maakt op de jeugdvakantie-uitkering; het bewijs wordt in dubbel afgeleverd de maand waarin de jongere in het vakantiejaar voor het eerst jeugdvakantiedagen neemt.

4°bis een "bewijs van seniorvakantie" aan de werknemer bedoeld in artikel 78bis, § 2, die aanspraak maakt op de seniorvakantie-uitkering; het bewijs wordt in dubbel afgeleverd de maand waarin de werknemer in het vakantiejaar voor het eerst seniorvakantiedagen neemt.

3.3.6 - Artikel 138bis

§ 1. De werkgever, zijn aangestelde of lasthebber moet op de wijze en binnen de voorwaarden bepaald door de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid tot de sociaal verzekerde, de gegevens, vermeld op de documenten bedoeld in artikel 137, §§ 1, 2 en 4, en op de prestatiestaat bedoeld in artikel 163, derde lid, door middel van een elektronische techniek overmaken.

De verplichting van het eerste lid geldt evenwel niet voor:
1° het controleformulier en de controlekaart voor de tijdelijk werkloze bedoeld in artikel 137, § 1, eerste lid, 2°, a, § 2, 3°, a, en § 4, eerste lid, 1°, tweede en derde lid.
2° het “werkloosheidsbewijs” bedoeld in artikel 137, § 1, eerste lid, 1°;
3° het “arbeidsbewijs” bedoeld in artikel 137, § 2, 2°;
4° de “prestatiestaat” bedoeld in artikel 137, § 1, eerste lid, 6°.

In toepassing van artikel 4, § 2, vierde lid, van de voormelde wet van 24 februari 2003 bezorgt de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber onmiddellijk aan de sociaal verzekerde een afschrift van de in het eerste lid bedoelde elektronische mededelingen. Dit afschrift is in een voor de sociaal verzekerde begrijpbare taal opgesteld.