Uitstel van verschuldigde betalingen aan de RSZ - update 26/05/2020 coronamaatregel

(26/05/2020)

Omwille van de corona-epidemie heeft de regering sinds 20 maart 2020 en sinds 4 april 2020, een aantal maatregelen genomen. Één van deze maatregelen betreft het uitstel van betalingen aan de RSZ tot 15 december 2020 (koninklijk besluit nr. 17 van 4 mei 2020 - BS van 12 mei 2020)

Deze maatregelen hebben betrekking op drie soorten uitstel van betaling:

 

I Automatisch uitstel voor ondernemingen die verplicht gesloten zijn

Ondernemingen die genieten van automatisch uitstel van betalingen

Deze maatregel geldt voor ondernemingen uit de volgende categorieën die verplicht gesloten werden:

  • Horeca (PC 302) categorie 017, 317.
  • Ondernemingen die behoren tot de culturele, feestelijke, recreatieve, toeristische en sportieve sector.
    • toeristische attracties (PC 333) RSZ-categorie 095,
    • uitbating van bioscoopzalen (PSC 303.03) RSZ-categorie 323,
    • podiumkunsten (PC 304) RSZ-categorie 562 en 662,
    • sociocultureel (PC 329) RSZ-categorie 262, 362, 762 en 862,
    • sportbeoefening (RSZ-categorieën 070, 076, 176 + andere werkgeverscategorieën die eveneens één van deze drie categorieën hebben).
    • publieke werkgevers (DmfA en DmfAPPL) voor het personeel dat zij tewerkstellen in de inrichtingen die behoren tot deze sectoren en die eveneens verplicht gesloten werden.
  • Alle handelszaken en winkels die overeenkomstig de bepalingen van de ministeriële besluiten van 13 maart, 18 maart, 23 maart en 24  maart 2020 gesloten werden met uitzondering van:
    • de voedingswinkels, met inbegrip van nachtwinkels;
    • de dierenvoedingswinkels;
    • de apotheken;
    • de krantenwinkels;
    • de tankstations en de leveranciers van brandstoffen.

 

Voor welke aan de RSZ verschuldigde bedragen?

Het uitstel van betaling heeft betrekking op alle betalingen vanaf 20 maart 2020.

Hieronder vallen dus:

  • de nog te betalen rechtzettingen van de bijdragen;
  • de maandelijkse schijven van de lopende minnelijke afbetalingsplannen;
  • het derde voorschot voor het 1ste kwartaal;
  • het saldo van het 1ste kwartaal;
  • het debetbericht jaarlijkse vakantie;
  • de voorschotten voor het 2de kwartaal;
  • het saldo van het 2de kwartaal.

Het uitstel van betaling geldt voor alle door de RSZ geïnde bijdragen (werkgeversbijdragen, werknemersbijdragen en bijzondere bijdragen, met inbegrip van bijdragen Bestaanszekerheid) en loopt tot 15 december 2020.

Voor het goede begrip: de verplichting om de RSZ-aangifte binnen de gestelde termijnen in te dienen, blijft van kracht.

De RSZ zal hierop ex-post de nodige controles verrichten.

Werkgevers kunnen zelf nagaan of zij in aanmerking komen voor het automatisch uitstel:

Check recht op automatisch uitstel

 

II Uitstel na voorafgaande verklaring op eer voor ondernemingen die zelf beslist hebben om volledig te sluiten

Ondernemingen die betrokken zijn bij het uitstel

  • Ondernemingen die niet door een verplichte sluiting, zoals vermeld in de ministeriële besluiten van 13 maart, 18 maart, 23 maart en 24 maart 2020, beoogd zijn, maar die volledig gesloten werden omdat ze in de onmogelijkheid verkeerden om de sanitaire maatregelen na te leven, zullen een uitstel van betaling kunnen bekomen op basis van een verklaring op eer.
  • De ondernemingen die niet verplicht gesloten zijn en die, om andere redenen dan het niet kunnen naleven van de sanitaire maatregelen, zelf hebben beslist om volledig te sluiten. Omwille van de coronacrisis hebben sommige ondernemingen, die niet verplicht gesloten zijn en die gesloten zijn om andere redenen dan het niet kunnen naleven van de sanitaire maatregelen, hun productie en verkoop moeten stopzetten. Hierdoor zijn ook deze ondernemingen volledig gesloten. Een voorbeeld is de sluiting van toeleveranciers of de sluiting wegens het feit dat klanten gesloten waren.
    Ook voor deze ondernemingen wordt voorzien dat zij, op basis van de verklaring op eer, van het uitstel tot 15 december kunnen genieten.

 

Notie ‘volledige sluiting’

Voor wat de notie “volledige sluiting” betreft, wordt bedoeld dat de productie en verkoop is stopgezet. Dit verhindert niet dat er binnen de onderneming nog een beperkt aantal medewerkers actief kunnen zijn omwille van veiligheid, administratie, noodzakelijk onderhoud enzovoort.

De RSZ zal de nodige ex-post-controles uitvoeren.

 

Voor welke aan de RSZ verschuldigde bedragen?

Het uitstel van betaling heeft betrekking op alle betalingen vanaf 20 maart 2020.

Hieronder vallen dus:

  • de nog te betalen rechtzettingen van de bijdragen;
  • de maandelijkse schijven van de lopende minnelijke afbetalingsplannen;
  • het derde voorschot voor het 1ste kwartaal;
  • het saldo van het 1ste kwartaal;
  • het debetbericht jaarlijkse vakantie;
  • de voorschotten voor het 2de kwartaal;
  • het saldo van het 2de kwartaal.

Het uitstel van betaling geldt voor alle door de RSZ geïnde bijdragen (werkgeversbijdragen, werknemersbijdragen en bijzondere bijdragen, met inbegrip van bijdragen Bestaanszekerheid) en loopt tot 15 december 2020.

Voor het goede begrip: de verplichting om de RSZ-aangifte binnen de gestelde termijnen in te dienen, blijft van kracht.

De RSZ zal hierop ex-post de nodige controles verrichten.

Verklaring op eer (niet verplichte sluiting):

Verklaring op eer indienen

 

Om deze toepassing te kunnen gebruiken, moet de werkgever een socialezekerheidsaccount (beveiligde toegang) hebben. Werkgevers die nog geen account hebben, kunnen er een aanmaken. De registratieprocedure is gedetailleerd beschreven in het luik 'Ik wil zelf mijn administratieve verplichtingen tegenover de RSZ vervullen' op het portaal van de sociale zekerheid.

 

III Uitstel na voorafgaande verklaring op eer voor ondernemingen die niet volledig gesloten werden en hun economische activiteit zwaar verminderd zien

Ondernemingen die betrokken zijn bij het uitstel

De werkgevers, die niet getroffen zijn door een verplichte sluiting, die niettemin hun economische activiteit sterk verminderd zien voor het 2de kwartaal 2020

Zij dienen een verklaring op eer in te dienen met behulp van een elektronisch formulier waarin ze verklaren dat de coronacrisis voor hun onderneming zal leiden tot:

  • een vermindering met ten minste 65 % van de omzet die resulteert uit de handelingen die moeten worden opgenomen in kader 2 van de periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-wetboek met betrekking tot het 2de kwartaal 2020, ten opzichte van de omzet die resulteert uit dezelfde handelingen die moesten worden opgenomen in de periodieke btw-aangiften met betrekking tot het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020

en / of

  • een vermindering van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven loonmassa voor het 2de kwartaal 2020 met minstens 65 % ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020; met 'loonmassa' wordt de som bedoeld van de bedragen waarop de basisbijdragen voor de sociale zekerheid worden berekend, meer specifiek de bedragen die overeenkomen met de looncodes 1, 2, 5 en 6 (respectievelijk loon en voordelen samenhangend met gepresteerde dagen, voordelen onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen, premies in het raam van maatregelen tot herverdeling van de arbeid en vergoedingen voor uren die geen arbeidstijd zijn).

Voor welke aan de RSZ verschuldigde bedragen?

Deze werkgevers genieten tot 15 december 2020 een uitstel van betaling van de volgende bedragen:

  • het saldo van de bijdragen die voor het 1ste kwartaal 2020 verschuldigd zijn;
  • het debetbericht jaarlijkse vakantie;
  • de voorschoten voor het 2de kwartaal 2020;
  • het saldo van de bijdragen die voor het 2de kwartaal 2020 verschuldigd zijn;
  • de nog te betalen rechtzettingen van de bijdragen;
  • de nog te vervallen maandelijkse afbetalingen van de lopende afbetalingsplannen

Het uitstel van betaling geldt voor alle door de RSZ geïnde bijdragen (werkgeversbijdragen, werknemersbijdragen en bijzondere bijdragen, met inbegrip van bijdragen Bestaanszekerheid) en loopt tot 15 december 2020.

Voor het goede begrip: de verplichting om de RSZ-aangifte binnen de gestelde termijnen in te dienen, blijft van kracht.

De RSZ zal hierop ex-post de nodige controles verrichten.

Verklaring op eer (ondernemingen met een sterk verminderde economische activiteit):

Verklaring op eer indienen

 

Om deze toepassing te kunnen gebruiken, moet de werkgever een socialezekerheidsaccount (beveiligde toegang) hebben. Werkgevers die nog geen account hebben, kunnen er een aanmaken. De registratieprocedure is gedetailleerd beschreven in het luik 'Ik wil zelf mijn administratieve verplichtingen tegenover de RSZ vervullen' op het portaal van de sociale zekerheid.

 

IV Ondernemingen niet betrokken bij het automatisch uitstel of uitstel na voorafgaande aangifte

Met uitzondering van het beperkt aantal diensten bedoeld in artikel 1 §5 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 (zie hoger), kunnen de openbare besturen en hun instellingen en diensten geen beroep doen op deze maatregelen van uitstel van betaling en kunnen in dit verband evenmin gebruik maken van de 'verklaring op eer'.

 

V Minnelijk afbetalingsplan

De werkgevers die niet in aanmerking komen voor een automatisch uitstel van betaling, die niet volledig gesloten zijn geweest na een voorafgaande verklaring op eer en die niet voldoen aan de voorwaarden om een uitstel te bekomen op basis van een verminderde omzet of loonmassa, kunnen aan de RSZ om een minnelijk afbetalingsplan verzoeken voor de aangegeven bijdragen voor het 1ste en het 2de kwartaal 2020 en voor de bijdrage jaarlijkse vakantie voor het vakantiedienstjaar 2019. Hierop worden de bijdrageopslagen, forfaitaire vergoedingen en / of verwijlinteresten niet aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde afbetalingsmodaliteiten strikt worden nageleefd.

Hetzelfde geldt voor de werkgevers die niet in staat zijn om uiterlijk op 15 december 2020 bij het verlopen van het uitstel, aan hun verplichtingen te voldoen.

 

Verenigingswerkers (bijklussen)

(20/05/2020)

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 53/2020 van 23 april 2020 (BS van 20 mei 2020) vernietigt de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en de wet van 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Dit heeft als gevolg dat:

  • er geen mogelijkheid meer is om nog van het systeem van 'verenigingswerk' (bijklussen) gebruik te maken vanaf 1 januari 2021 maar dat tot dan nog prestaties in die zin kunnen worden uitgevoerd;
  • dat de gevolgen van de vernietigde wetten worden gehandhaafd voor de uitgevoerde prestaties tot en met 31 december 2020.

Opleidingsproject verpleegkundige 2020-2021 (project 'Vorming 600')

(15/05/2020)

Deze mededeling is enkel van toepassing op de werkgevers die tot de huidige of vroegere federale gezondheidssector behoren.

Het project ‘Vorming 600’ biedt reeds verschillende jaren de mogelijkheid aan werknemers uit de federale gezondheidssectoren om, met behoud van loon, een opleiding te volgen tot bachelor in de verpleegkunde (A1) of gegradueerde verpleegkundige (A2).

Het project ‘Vorming 600’ biedt opnieuw de kans aan werknemers uit deze sector om, gedurende maximum 3 schooljaren (HBO5) of maximum 4 schooljaren (Bachelor) een opleiding te volgen vanaf september 2020.

Toelatingsvoorwaarden

Om deze opleiding te kunnen volgen dient de werknemer op 31 augustus 2020 aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • Tewerkgesteld zijn in een openbare instelling behorend tot de huidige of vroegere federale gezondheidssectoren: ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, diensten voor thuisverpleging, rustoorden voor bejaarden en rust- en verzorgingstehuizen, dagverzorgingscentra, wijkgezondheidscentra en revalidatiecentra;
  • Tenminste halftijds tewerkgesteld zijn als statutair, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur of met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur met de garantie van de werkgever dat de werknemer, eenmaal geselecteerd voor de opleiding, in dienst gehouden wordt voor de duur van de opleiding (schriftelijk bewijs noodzakelijk bij kandidatuurstelling);
  • Een minimumervaring van 3 jaar hebben in één of meerdere instellingen behorend tot de federale gezondheidssector (privé of openbaar);
  • Bij de aanvang van de opleiding nog een voorziene loopbaan hebben van 5 jaar per studiejaar;
  • Niet in het bezit zijn van een brevet, een graduaat of een diploma van bachelor in de verpleegkunde;
  • Voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het onderwijs dat de werknemer wenst te volgen;
  • Zich ertoe verbinden na het slagen in de opleiding minstens 5 jaar te zullen werken als verpleegkundige (voltijds of deeltijds) in de sector.

Procedure

Wij verzoeken u om de werknemers die in aanmerking komen, op de hoogte te brengen van de verlenging van het project in het schooljaar 2020-2021.

De werknemers die geïnteresseerd zijn in dit aanbod en die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, kunnen zich kandidaat stellen door het inschrijvingsformulier en het werkgeversattest volledig ingevuld, bij voorkeur per e-mail, te bezorgen aan de RSZ tegen 12 juni 2020 op het adres maribel@rsz.fgov.be.

Wijzigingen aan de procedure ten gevolge de COVID-19 maatregelen.

  1. Voor het schooljaar 2020-2021 wordt geen schoolattest bij de kandidatuurstelling gevraagd. Wij verwachten echter dat de kandidaten zich vooraf informeren bij een school die de opleiding tot verpleegkundige organiseert of de diploma’s of getuigschriften waarover zij beschikken, toelating geven tot de door hen gewenste opleiding of het gewenste studiejaar (al dan niet met een toelatingsproef). 
    Aan de geselecteerde kandidaten zal gevraagd worden het  attest van inschrijving afgeleverd door de onderwijsinstelling waarbinnen zij de opleiding zullen volgen, vóór de aanvang van het studiejaar te bezorgen. 
  2. Voor het schooljaar 2020-2021 wordt geen attest van de arbeidsgeneesheer bij de kandidatuurstelling gevraagd.

Bijkomende voorwaarden

Van kandidaten die reeds een deelcertificaat van de opleiding tot verpleegkundige hebben behaald en die in principe een opleiding van minder dan 3 jaar of 4 zouden kunnen volgen, zal niettemin gevraagd worden om de volledige opleiding van 3 of 4 jaar te volgen indien het behalen van het certificaat dateert van meer dan 5 jaar geleden en m.a.w. behaald werd vóór 1 september 2015. Als die werknemers toch geselecteerd worden, moeten zij zich voor de opleidingsperiode waarop het behaalde certificaat betrekking heeft als vrij student inschrijven en bewijzen (resultaat van de examens en advies van school) dat zij het niveau hebben om de studies verder te zetten.

Werknemers uit de betrokken sector krijgen de kans om gedurende maximum 3 schooljaren (HBO5) en maximum 4 schooljaren (Bachelor) een opleiding te volgen. De selectie van de kandidaten zal gebeuren door het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector bij de RSZ op basis van objectieve criteria. Het resultaat van de selectie zal schriftelijk worden medegedeeld aan de kandidaten evenals aan hun werkgever tegen begin juli..

De toelating tot de opleiding is pas definitief nadat de werknemer het “reglement werknemer”, getekend voor akkoord,  heeft teruggestuurd en heeft deelgenomen aan één van de informatiesessies die zullen georganiseerd worden. Dit reglement zal hem overhandigd worden in de informatiesessie en zal de bepalingen van het protocolraamakkoord van 28 oktober 2009 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale gezondheidssector hernemen. De werkgever van zijn kant zal het “reglement werkgever”, dat hem zal opgestuurd worden samen met de brief tot kennisgeving van de beslissing tot selectie, getekend voor akkoord, moeten terugsturen.

De werknemer die tot de opleiding is toegelaten, dient vervangen te worden door een andere werknemer. Tot financiering van de tewerkstelling van deze vervanger zal de werkgever van het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector een tegemoetkoming ontvangen ten bedrage van maximaal 40.000,00 euro op jaarbasis per voltijds tewerkgestelde werknemer.

Voor werknemers die reeds eerder in het project 600 gestart zijn, blijft de tussenkomst van 35.065,96 euro ongewijzigd.

Federaal aanvullend pensioen openbare sector - inlichtingen

(05/05/2020)

Om te kunnen komen tot een juiste berekening van de federale regeling 2de pensioenpijler voor de contractuelen, moet één maal per jaar een aantal gegevens meegedeeld worden. Deze gegevens worden in principe meegegeven telkens in het 1ste kwartaal van het kalenderjaar.

De FOD BOSA specificeert wat de referentiebezoldiging is in het geval van een hervatting van het werk na een onbezoldigde afwezigheid (artikel 2, 2° van het koninklijk besluit van 11 december 2019 - BS van 20 december 2019):

In het geval van hervatting van het werk na een periode van afwezigheid is het de referentiebezoldiging die betrekking heeft op de maand van hervatting van het werk. De' maand van hervatting' is de eerste bezoldigde maand van het jaar, nadat tijdens de volledige voorgaande maand(en) sprake was van een onbezoldigde afwezigheid.

Het betreft hierbij de volgende types loopbaanonderbreking 100%:

  • algemeen stelsel
  • voor ouderschapsverlof
  • voor medische bijstand
  • voor palliatieve zorgen

maar: ook de volgende onbezoldigde afwezigheden:

  • ouderschapsverlof 100 %
  • ziekteverlof met tussenkomst ZIV
  • pleegouderverlof privésector
  • verlof voor opdracht.

 

Daarnaast zijn er 3 uitzonderingen van onbezoldigde afwezigheden, waarbij de maand van hervatting niet van toepassing is en waarbij de referentiebezoldiging toch gelinkt blijft aan de maand januari of, bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding. Het betreft:

  • moederschapsverlof
  • adoptieverlof privésector
  • vaderschaps- of geboorteverlof

Bezoldiging voor gewaarborgd loon

(27/04/2020)

In het kader van een eventuele terugbetaling van een gedeelte van het gewaarborgd loon als mogelijke corona-maatregel, zal vanaf het 2de kwartaal 2020 gevraagd worden om bij 'tewerkstelling inlichtingen' de zone 'loon bij ziekte' (zone 01011 - brutoloon betaald in geval van ziekte) ook voor werknemers buiten de bouwsector in te vullen. Dit geldt zowel voor de DmfA als de DmfAPPL aangifte.

 

  • Voor de arbeiders tewerkgesteld in de bouwsector, met inbegrip van de uitzendkrachten, verandert er niets en moeten de 3 voorziene zones ingevuld worden ('uurloon', 'aantal ziektedagen' en 'loon bij ziekte').

 

  • Voor arbeiders tewerkgesteld in andere sectoren, moet vanaf het 2de kwartaal 2020 eveneens de zone 'loon bij ziekte' ingevuld worden (maar niet de zones 'uurloon' en 'aantal ziektedagen'), volgens de modaliteiten van de arbeiders in de bouwsector.

 

  • Voor bedienden tewerkgesteld in alle sectoren, moet eveneens vanaf het 2de kwartaal 2020 de zone 'loon bij ziekte' ingevuld worden (en dus ook niet de zones 'uurloon' en 'aantal ziektedagen'). Dit bedrag berekent men als een pro rata per tewerkstellingslijn als volgt:
    • voor bedienden aangegeven in dagen:
      • 'loon bij ziekte' = (effectief loon / totaal aantal bezoldigde dagen) x aantal dagen 'loon bij ziekte'
         
    • voor bedienden aangegeven in uren:
      • 'loon bij ziekte' = (effectief loon / totaal aantal bezoldigde uren) x aantal uren 'loon bij ziekte'
         
    • met als effectief loon
      • = de som van de looncodes 1, 2(*), 5, 6, 10(*), 12, 22 en 23(*) (DmfA)
        (*) met uitsluiting van de jaarpremies en eenmalige premies en met uitsmeren van de overige premies over al de tewerkstellingslijnen van een kwartaal
      • = de som van de looncodes 101, 150, 160, 801, 804, 806, 817, 821 - 824, 833 - 837, 851 - 855, 951, 954, 957, 924, 902, 906, 961, 962, 970, 971, 974 - 976, 991 - 993, 910, 912, 914, 916, 917, 942, 315, 318 en 770 (DmfAPPL)
         
    • met als aantal dagen / uren bezoldigd
      • = de som van de prestatiecodes 1, 3, 4, 5, 20 (DmfA)
      • = de dagen / uren prestatiecode 1 (DmfAPPL)
         
    • met als aantal dagen / uren gewaarborgd loon / loon bij ziekte
      • = aantal dagen / uren arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd maandloon dat deel uitmaakt van de prestaties onder prestatiecode 1, waarvoor de werkgever de loonkost draagt (dus niet in het geval van een erkend arbeidsongeval of beroepsziekte).

 

 

Uitbreiding studentenarbeid tweede kwartaal 2020 - coronamaatregel

(17/04/2020)

Om het mogelijk te maken jobstudenten in te zetten om de door de coronacrisis verhoogde werkdruk in sectoren zoals de voeding te helpen verlichten, heeft de regering beslist om de uren die een student presteert tijdens het 2de kwartaal 2020, niet mee te laten tellen voor het contingent van 475 uren per jaar.

Dit geldt voor alle studenten ongeacht de sector waarin ze tewerkgesteld worden. Dit wil zeggen dat voor de student die met een studentenovereenkomst kan worden tewerkgesteld, ook indien zijn contingent reeds opgebruikt is in het eerste kwartaal of volledig gereserveerd zou zijn voor voorziene prestaties in het derde en vierde kwartaal, voor al de uren gepresteerd in het 2de kwartaal 2020 toch de solidariteitsbijdrage kan toegepast worden in plaats van de gewone bijdragen.

De gewone aangifteregels blijven gelden, dus een Dimona 'STU' voor de tewerkstelling aanvangt en achteraf een aangifte DmfA van de gepresteerde uren. Een Dimona met aanduiding van uren blijft dus verplicht, maar 'reserveren' om zeker te zijn dat de student nog voldoende uren beschikbaar heeft die in aanmerking komen voor de solidariteitsbijdrage is dus niet nodig voor het 2de kwartaal 2020 aangezien alle in het tweede kwartaal gepresteerde uren door een student in aanmerking komen voor de solidariteitsbijdrage.

De onlineteller waarbij het resterende aantal uren in het contingent kan worden geconsulteerd, zal worden aangepast tegen het einde van de maand april. De maatregel is momenteel nog niet zichtbaar in de toepassing Student@work zodat attesten voor een tewerkstelling gedurende de volgende kwartalen nog niet aangepast zijn.

De regionale instellingen bevoegd voor het toekennen van kinderbijslagen zijn aan het onderzoeken hoe hun reglementering kan worden aangepast om te voorkomen dat studenten die op deze manier in het tweede kwartaal worden tewerkgesteld, hun kinderbijslag zouden verliezen. Zodra hierover meer informatie beschikbaar is zal dit meegedeeld worden via de website www.studentatwork.be.

Dat geldt ook voor het begrip persoon ten laste in de fiscale reglementering, waarvoor er mogelijk een aanpassing aan de reglementering zal voorzien worden.

Verhoging aantal dagen gelegenheidsarbeid fruitsector - coronamaatregel

(17/04/2020)

Analoog aan het systeem van de extra 35 dagen voor de champignonteelt bovenop het klassieke 65 dagen-contingent in de tuinbouwsector, worden er ook 35 extra dagen voorzien voor gelegenheidswerknemers in de fruitsector. Een nieuw functienummer '93' wordt voorzien voor de aangifte van het forfait dat net zoals in de champignonteelt hetzelfde is als dat van de klassieke tuinbouwsector.

Deze uitbreiding geldt niet voor de uitzendsector waarvoor het contingent dus beperkt blijft tot 65 dagen. Er is geen cumul voorzien bij overschrijding van de eerste 65 dagen met een andere vorm van gelegenheidsarbeid in de land- of tuinbouw. Dit wil dus zeggen dat enkel gebruik kan gemaakt worden van de extra 35 dagen als de gelegenheidswerknemer de 65 dagen daarvoor ook in de fruitteelt actief was.

Zoals voor overige land- en tuinbouw is er een verdubbeling van de contingenten en gaat het respectievelijk om 130 dagen en 70 dagen, dus in totaal 200 dagen maximaal als gelegenheidswerknemer in de fruitteelt.

Deze uitbreiding is mogelijk voor maximaal 33 % van het aantal gelegenheidswerknemers die de werkgever in 2019 heeft aangegeven en voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden wordt voldaan:

1° de betrokken werkgever toont voor het jaar 2020 een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het kalenderjaar 2018

2° de betrokken werkgever moet, uiterlijk op 24 april 2020, een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en aan het Waarborg en Sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf. Deze aanvraag bevat een verklaring, die samen met de aanvraag ingediend moet worden opdat deze ontvankelijk zou zijn, en waarin de werkgever zich verbindt om:

  • de sociale wetgeving en de collectieve arbeidsovereenkomsten correct toe te passen;
  • geen gebruik te maken van detacheringsconstructies;
  • geen beroep te doen op schijnzelfstandigen;
  • niet aan sociale dumping te doen;
  • niet te werken met constructies van aannemings- of dienstverleningscontracten met Belgische of buitenlandse ondernemingen om de Belgische wetgeving betreffende de verboden terbeschikkingstelling te omzeilen.

Het Waarborg en Sociaal Fonds voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument ter beschikking voor de schriftelijke aanvraag. Een werkgroep 'Fruitteelt', opgericht binnen het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, beoordeelt de aanvragen vóór 20 mei 2020 aan de hand van de DmfA- en de Dimona-aangiften.

Het Waarborg en Sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf berekent voor elke onderneming die de aanvraag indient, het aantal gelegenheidswerknemers tijdens het jaar 2019 en het aantal dat overeenkomt met 33 % daarvan voor het jaar 2020. De werkgroep 'Fruitteelt' onderzoekt het dossier en formuleert een advies aan het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf dat de beslissing neemt. Deze beslissing geeft onder meer het aantal gelegenheidswerknemers tewerkgesteld in de fruitteelt weer waarop de werkgever een beroep kan doen voor het tot 100 dagen uitgebreide stelsel voor het jaar 2020.  Het Paritair Comité deelt deze beslissing mee aan de betrokken werkgever en bezorgt ze uiterlijk op 10 juni 2020 tevens aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en aan de minister die Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft.

Aangife van 'tijdelijke werkloosheid wegens overmacht' en 'tijdelijke werkloosheid wegens economische oorzaken'

(08/04/2020)

De RVA heeft vereenvoudigde procedure voorzien voor de aangifte van 'tijdelijke werkloosheid'. Meer informatie is terug te vinden op de website van de RVA.

Er wordt echter nog steeds een onderscheid gemaakt tussen 2 types:

  • tijdelijke werkloosheid wegens overmacht - Corona
  • tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen.

In de kwartaalaangiftes van de RSZ worden beide tijdelijke werkloosheidsperiodes echter met een verschillende indicatieve code aangegeven, vóór 1 april 2020 respectievelijk de prestatiecodes 70 en 71. De werknemer zal in beide situaties een uitkering tijdelijke werkloosheid verkrijgen die 70 % bedraagt van het gemiddeld begrensde loon (tijdelijk voor de periode van 1 februari 2020 tot 30 juni 2020 - voor meer details verwijzen we naar de website van de RVA), maar het supplement waarop de werknemer recht heeft verschilt.

Vanaf het 2de kwartaal 2020 wordt de algemene code 'tijdelijke werkloosheid' prestatiecode 70 uitgesplitst in de nieuwe specifieke prestatiecode 77 'tijdelijke werkloosheid wegens overmacht - corona' en de bestaande algemene prestatiecode 70 'tijdelijke werkloosheid - andere dan economische werkloosheid, slecht weer en overmacht corona'.

Aangifte 1ste kwartaal:

  • overmacht Corona
    • indicatieve prestatiecode 70
    • RVA-supplement van 5,63 EUR / dag
  • economische redenen
    • indicatieve prestatiecode 71
    • supplement betaald door de werkgever of door een Fonds voor bestaanszekerheid van minstens 2,00 EUR / dag.

Vanaf de aangifte 2de kwartaal:

  • overmacht Corona
    • indicatieve prestatiecode 77 (nieuwe code)
    • RVA-supplement van 5,63 EUR / dag
  • economische redenen
    • indicatieve prestatiecode 71
    • supplement betaald door de werkgever of door een Fonds voor bestaanszekerheid van minstens 2,00 EUR / dag.

Het is dus belangrijk dat de werkgever bij zijn aangifte DmfA de tijdelijke werkloosheidscode voor zijn werknemers gebruikt die overeenkomt met het type van tijdelijke werkloosheid waarin zijn werknemer zich bevindt. In het geval van 'tijdelijke werkloosheid om economische redenen' zal het supplement voor de werknemer afhangen van hetgeen in specifieke CAO's is opgenomen. Op dit moment is er een 'bijzondere bijdrage economische werkloosheid' verschuldigd voor de werknemers die een bepaald aantal dagen technische werkloosheid (prestatiecode 71) tijdens een referteperiode overschrijden.

De werkgever kan echter via een vereenvoudigde procedure overstappen naar 'tijdelijke werkloosheid wegens overmacht', zoals uiteengezet op de website van de RVA.

Een overzicht van vragen en antwoorden 'FAQ Corona' is beschikbaar op de website van de RVA.

Gevolgen van het toekennen van maaltijdcheques voor afwezigheidsdagen

(08/04/2020)

In het kader van de coronacrisis zitten een heel aantal werknemers in tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, andere zijn met loonbehoud vrijgesteld van prestaties. Veel van deze werknemers hebben recht op maaltijdcheques. In de huidige stand van de wetgeving zijn maaltijdcheques echter alleen vrijgesteld van bijdragen als ze toegekend worden voor dagen waarop er effectieve arbeidsprestaties worden geleverd.

Als er dus maaltijdcheques toegekend worden voor de dagen tijdelijke werkloosheid, of voor dagen waarop een werknemer vrijgesteld is van prestaties, zijn er bijdragen verschuldigd op het werkgeversaandeel van die cheques. Dit wil ook zeggen dat werknemers die effectief prestaties leveren via telewerk wel het recht behouden op hun maaltijdcheques vrij van RSZ, want het gaat immers om effectieve prestaties.

Zoals reeds vermeld in de tussentijdse mededeling over de aanvullingen bij de RVA-uitkering voor tijdelijk werkloosheid, mag bij het aanvullen van de RVA-uitkering ook geen rekening gehouden worden met de maaltijdcheques.

Verhoging mobiliteitspremie, indexering bureauvergoeding en kampvergoeding

(08/04/2020)

Een op 6 april 2020 gepubliceerd koninklijk besluit actualiseert de mobiliteitspremie die in sommige bedrijfstakken,  waar de werkplaats niet vast is, wordt uitgekeerd. Deze premie verhoogt vanaf 1 mei 2020 naar 0,1579 EUR / km.

Het maximaal toegestaan forfaitair bedrag als bureaukosten wordt vanaf 1 april 2020 aangepast aan de evolutie van de index en verhoogt naar 129,48 EUR / maand.

De forfaitaire kampvergoeding toegekend aan begeleidend personeel voor georganiseerde vakantieverbijven, wordt vanaf 1 april 2020 eveneens aangepast aan de evolutie van de index en verhoogt naar 40,68 EUR / dag.

 

Dimona en C3.2A kaarten voor de bouwsector - coronamaatregel

(03/04/2020)

Momenteel is het verplicht om bij Dimona-aangiften voor de bouwsector C3.2A-kaartnummers (in het kader van tijdelijke werkloosheid) in te voeren voor de eerste twee maanden van tewerkstelling. Wanneer geen nummer wordt ingevoerd, wordt de aangifte Dimona geweigerd. Deze kaarten worden afgeleverd door het Fonds voor de Bouwsector (Constructiv) of door de RVA wanneer de werkgever geen niet-nominatieve kaarten meer ter beschikking heeft.

In het kader van de Coronacrisis is bij de RVA een tijdelijke vereenvoudigde procedure ingevoerd, waarbij het niet langer nodig is om deze kaarten af te leveren. Daarom zal de RSZ de controles in Dimona aanpassen zodat het invoeren van deze nummers niet langer verplicht is.

Het tijdelijk stopzetten van de controle op de aanwezigheid van het C3.2A-nummer wordt thans voorbereid voor de verschillende Dimona-kanalen :

  • Het kanaal Web en Batch : beschikbaar tegen maandag 6 april 2020.
  • Het kanaal Mobile en Multi : beschikbaar tegen woensdag 8 april 2020.

Aanvulling bij de RVA-uitkering voor tijdelijke werkloosheid ingevolge economische redenen of omwille van overmacht - update 02/04/2020 coronamaatregel

(02/04/2020)

Vele werkgevers vragen zich af of zij aan hun werknemers die ingevolge de covid-19 maatregelen niet kunnen werken en in tijdelijke werkloosheid geplaatst zijn, een aanvulling bij de RVA uitkering mogen toekennen zonder dat daarop bijdragen verschuldigd zijn.

Hierbij wordt bevestigd dat het algemene principe van toepassing blijft dat het mogelijk is een aanvulling toe te kennen zonder dat daarop bijdragen verschuldigd zijn (noch de gewone sociale bijdragen, noch de bijdragen in het kader van de zgn. Decava-regeling). De RSZ stelt als enige voorwaarde aangaande de hoogte van de aanvulling, dat de som van de RVA uitkering die de werknemer zal ontvangen en de aanvulling, dat deze niet tot gevolg mag hebben dat de werknemer netto meer zou ontvangen dan wanneer hij gewerkt had. 

Dit wil zeggen dat:

  • er naast de uitkering van de RVA en eventuele supplementen zoals de 5,63 EUR per dag in het geval van 'tijdelijke werkloosheid wegens overmacht', ook rekening moet gehouden worden met aanvullingen die toegekend zullen worden door een Fonds voor bestaanszekerheid
  • de werkgever alle werknemers van dezelfde categorie gelijk moet behandelen; dit kan door
    • ofwel tot een bepaald percentage van het nettoloon te compenseren
    • of door iedereen een forfaitair bedrag te betalen er rekening mee houdend dat ook de werknemers met de laagste lonen niet meer mogen ontvangen dan indien ze gewerkt zouden hebben
  • er rekening mag gehouden worden met het gemiddelde loon van de voorbije maanden als het gaat om werknemers met een variabel loon
  • er alleen rekening mag gehouden worden met het loon waarop socialezekeheidsbijdragen verschuldigd zijn; de aanvullingen mogen dus geen rekening houden met voordelen zoals maaltijdcheques, ....
  • netto niet wil zeggen dat men zich moet baseren op het netto maandloon en het netto bedrag van de aanvullingen en RVA-uitkering, maar dat men er rekening mee houdt dat op het loon, de RVA-uitkeringen en aanvullingen andere bedrijfsvoorheffingen gelden; als uitgangspunt kunnen dus best de respectievelijke bruto belastbare bedragen worden gehanteerd.

De RSZ heeft er alle begrip voor dat beslissingen snel moesten genomen worden en staat dan ook toe dat als zou blijken dat de aanvullingen die voor de maand maart worden toegekend te hoog zijn, de werkgever dit mag compenseren door de aanvullingen voor de eerstvolgende maanden te verlagen, ook omdat de definitieve bedragen van de werkloosheidsuitkering niet onmiddellijk bekend zullen zijn.

Voor meer uitleg over de RVA uitkering verwijzen we naar: https://www.rva.be/nl

 

Aanpassing van loonplafonds verminderingen

(01/04/2020)

Als gevolg van een overschrijding van de spilindex in de loop van de maand februari 2020, wijzigen een aantal loonplafonds voor de berekening van bijdrageverminderingen. Dit kan ook een impact hebben op sommige overgangsmaatregelen van de geregionaliseerde verminderingen vanaf 1 april 2020.

 

Structurele vermindering

Aanpassing van de bovenste loongrens van de lagelonencomponent (S0) en aanpassing van de ondergrens van de hogelonencomponent (S1) van de structurele vermindering

   S0   1/2020  S0   2/2020  S1   1/2020  S1   2/2020
 R catg 1  9.035,00  9.215,70  0,00  0,00
 R catg 2  7.590,00  7.741,80  13.249,80  13.514,80
 R catg 3 met loonmatiging         9.640,00  9.832,80  0,00  0,00
 R catg 3 zonder loonmatiging  9.035,00  9.215,70  0,00  0,00

 

Doelgroepvermindering oudere werknemers

  • Duitstalige gemeenschap:  13.942,47 EUR (vast bedrag)
  • Brussel: 10.924,20 EUR (geïndexeerd)
  • Vlaanderen: 13.945,00 / 18.545,00 EUR (vast bedrag)
  • Wallonië: 14.505,75 EUR (geïndexeerd)

Doelgroepvermindering jongeren

  • Algemene regeling/overgangsmaatregelen: 9.000,00 EUR (vast bedrag)
  • Vlaanderen: 7.500,00 / 8.100,00 EUR (vast bedrag)

Doelgroepvermindering herstructurering

  • Duitstalige gemeenschap:
    • < 30 jaar: niet meer van toepassing
    • >= 30 jaar: 13.942,47 EUR (vast bedrag)
  • Brussel en Vlaanderen:
    • <30 jaar: niet meer van toepassing
    • >= 30 jaar: niet meer van toepassing
  • Overgangsmaatregelen Wallonië:
    • < 30 jaar: niet meer van toepassing
    • >= 30 jaar: 14.505,75 EUR (geïndexeerd)

Doelgroepvermindering kunstenaars

  • Algemene regeling/overgangsmaatregelen: 4.877,16 (geïndexeerd)

 

Werknemersbijdragevermindering herstructurering

  • S0 = 3.071,90 (geïndexeerd)
  • S1 = 4.504,93 (geïndexeerd)

Aanpassing forfaits gelegenheidsarbeid, met fooien betaalden en zeevissers

(01/04/2020)

Als gevolg van het overschrijden van de spilindex respectievelijk tijdens de maand februari (met fooien betaalden, gelegenheidswerknemers horeca, land- en tuinbouw) en januari (zeevissers), wijzigen de forfaitaire daglonen. De tabel bevat de dagforfaits die gelden vanaf 1 april 2020 , variërend naargelang de sector, de uitgeoefende functie en de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het kwartaal.

De forfaitaire bedragen voor de aangestelden toiletten buiten de horeca ondergaan geen wijzigingen ten opzichte van het 1ste kwartaal 2020.

 

Vrijwillige brandweerlieden en ambulanciers - vrijgestelde vergoedingen

(01/04/2020)

De vergoedingen voor ‘niet-uitzonderlijke’ prestaties van de vrijwillige brandweerlieden en ambulanciers zijn vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen voor zover zij een maximumbedrag per kwartaal niet overschrijden. Door een aanpassing voortvloeiend uit de indexoverschrijding is het maximumbedrag vanaf 1 april 2020 gelijk aan 1.122,49 EUR per kwartaal.

Minnelijk afbetalingsplan - coronamaatregel

(20/03/2020)

De ondernemingen waarop de coronacrisis een economische weerslag heeft en zo moeilijkheden veroorzaakt voor het betalen van de socialezekerheidsbijdragen, kunnen een minnelijk afbetalingsplan vragen aan de RSZ op basis van de problematiek rond het coronavirus voor het eerste en het tweede kwartaal 2020.

Met het minnelijk afbetalingsplan van de RSZ kunnen de ondernemingen maandelijkse afbetalingen doen voor een maximum van 24 maanden. Ondernemingen die hun socialezekerheidsbijdragen correct betaald hebben, kan de RSZ mogelijks vrijstellen van bijdrageopslagen, forfaitaire vergoedingen en/of intresten. 

Praktisch gezien, moet de werkgever naar de pagina 'minnelijk afbetalingsplan' op de portaalsite gaan en het vragenformulier invullen. Bij het puntje 'uw motivatie', moet hij uitleggen hoe zijn onderneming financieel  getroffen werd door de coronacrisis.

 

Vergoeding voor thuiswerk - coronamaatregel

(20/03/2020)

Vele werkgevers vragen zich af welke vergoeding ze mogen toekennen aan hun werknemers die ingevolge de regeringsmaatregelen voor Covid-19, een tijdlang hun werk bijna volledig van thuis uit zullen doen.

De zogenaamde bureauvergoeding van 126,94 EUR per maand tot dekking van de kosten voor verwarming, elektriciteit, klein bureaugereedschap, …., kan vrij van sociale zekerheidsbijdragen toegekend worden aan alle werknemers die van thuis uit werken, dus ook aan werknemers die vóór de Covid-19 maatregelen niet van thuis uit werkten, en dus ook zonder dat de werkgever en werknemer een formele telewerkovereenkomst hebben afgesloten.

Voor meer uitleg over deze bureauvergoeding wordt verwezen naar de administratieve instructies van de RSZ: https://www.socialsecurity.be/employer/instructions/dmfa/nl/latest/instructions/salary/particularcases/expensesreimbursement.html.

Bovenop deze vergoeding mag de werkgever volgende kosten terugbetalen:

  • Gebruik van de eigen PC – een forfait van max. 20 EUR per maand wordt aanvaard
  • Gebruik van de eigen internetverbinding – een forfait van max. 20 EUR per maand wordt aanvaard

Als de werknemer andere kosten moet maken (gebruik eigen telefoon, aankoop van een scherm of een scanner, …) mag de werkgever die ook terugbetalen. Daarvoor geldt er geen algemeen forfait, de terugbetaling moet gebaseerd zijn op de werkelijke kosten.

Werkgevers die voorafgaand aan de Covid-19 maatregelen de kosten van hun telewerkers terugbetaalden op basis van de 10 % van het brutoloon dat betrekking heeft op de in de telewerkovereenkomst voorziene thuisprestaties (zie de administratieve instructies – zelfde link als hierboven) kunnen deze vergoeding verder betalen volgens hetzelfde principe voor het in de telewerkovereenkomst voorziene pro rata (bijvoorbeeld 10 % op 2/5de van het maandloon als in de overeenkomst 2 dagen telewerk was voorzien).

Een vergoeding van 10 % van het volledige brutoloon kan dus niet aanvaard worden. De werknemers die tijdelijk in de kader van de Covid-19 maatregelen volledig van thuis uit werken bevinden zich immers niet in een situatie van thuisarbeid zoals voorzien in Titel VI de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en evenmin in een situatie van telewerk in de eigenlijke zin van het woord.

Een vergoeding van 126,94 EUR mag alleszins wel uitgekeerd worden in de plaats van de 10 % van het pro rata van het maandloon, als dit laatste lager zou zijn.

Voor de analoge fiscale regeling verwijzen we naar: https://www.ruling.be/nl/nieuws/aanvraag-thuiswerk-covid-19.

 

Verhoging van het aantal dagen gelegenheidsarbeid in de land- en tuinbouw - coronamaatregel

(20/03/2020)

Omwille van de corona-epidemie wordt voor het jaar 2020 het aantal dagen verdubbeld waarop de werkgevers uit de land- en tuinbouw gebruik kunnen maken van het voordelige stelsel van de gelegenheidsarbeid waarbij de bijdragen berekend worden op een forfaitair dagbedrag.

Concreet komt dit erop neer dat:

  • het maximum aantal dagen in de landbouw verhoogt van 30 naar 60
  • het maximum aantal dagen in de tuinbouw verhoogt van 65 naar 130
  • voor de werknemers uit de witloof- en champignonteelt de extra 35 dagen verhoogd worden tot 70. Zij kunnen in 2020 dus maximaal 200 dagen gebruik maken van het systeem. 

Voor alle verdere uitleg over dit stelsel verwijzen we naar de administratieve instructies: https://www.socialsecurity.be/employer/instructions/dmfa/nl/latest/instructions/socialsecuritycontributions/calculationbase/occasionals_agriculture_horticulture.html.

 

Decava - loonplafonds inhoudingen

(03/03/2020)

Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er met ingang van 1 maart 2020 een aanpassing van de grensbedragen voor de berekening van de maximale inhouding op de aanvullende vergoedingen:

Grensbedragen na indexering en met toepassing van de herwaarderingscoëfficiënt:

(in EUR)

voltijds, met gezinslast

voltijds, zonder gezinslast

halftijds, met gezinslast

halftijds, zonder gezinslast

basisbedrag 1.130,44 938,50 565,22 469,25

vanaf 01-01-2018

1.712,05 1.421,35 856,02 710,68
vanaf 01-09-2018 1.746,22 1.449,73 873,11 724,86
vanaf 01-01-2020 1.768,57 1.468,29 884,29 734,14
vanaf 01-03-2020 1.803,94 1.497,65 901,97 748,82

Flexi-loon

(03/03/2020)

In het kader van een flexi-job heeft de werknemer recht op een loon (bruto is netto aangezien er geen inhoudingen zijn) dat niet lager mag zijn dan 8,82 EUR per uur (niet-geïndexeerd). Eveneens wordt, samen met ieder loon, een flexi-vakantiegeld uitbetaald van 0,68 EUR per uur (niet-geïndexeerd, totaal dus 9,50 EUR per uur). Door een aanpassing voortvloeiend uit een indexoverschrijding, bedraagt  vanaf 1 maart 2020 het minimumbedrag van het flexi-uurloon 9,55 EUR en het flexi-vakantiegeld 0,73

EUR per uur (totaal dus 10,28 EUR).

Huisarbeiders - aantal arbeidsdagen

(03/03/2020)

De RSZ aanvaardt dat het aantal arbeidsdagen voor huisarbeiders berekend wordt op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. Als gevolg van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, bedraagt het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen 1.625,72 EUR met ingang van 1 maart 2020.

Sportlui - berekeningsbasis voor de bijdragen

(03/03/2020)

De socialezekerheidsbijdragen voor sportlui worden berekend op het maximumbedrag dat als basis dient voor de berekening van de werkloosheidsuitkering conform artikel 111 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Dit geldt zowel voor de sportlui die vallen onder de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, als voor zij die niet onder die wet vallen.

Door een aanpassing voortvloeiend uit een indexoverschrijding, bedraagt dit bedrag momenteel 2.399,25 EUR met ingang van 1 maart 2020.

Werkbonus - grensbedragen

(03/03/2020)

Ingevolge de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, is er een aanpassing van de loongrenzen voor de berekening van de werkbonus. Drie coëfficiënten die u bij de berekening nodig hebt, ondergaan eveneens een wijziging. Hieronder vindt u in tabelvorm de nieuwe bedragen vanaf 1 maart 2020.

Bedienden (*)

S (refertemaandloon aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

1.674.49
1.674,49 en ≤ 2.611,78
> 2.611,78

205,65
205,65 - ( 0,2194 x (S - 1.674,49))
0,00

Arbeiders (**)

S (refertemaandloon aan 100% in EUR)

R (basisbedrag in EUR)

1.674,49
> 1.674,49 en ≤ 2.611,78
> 2.611,78

222,10
222,10 - (0,2370 x (S - 1.674,49))
0,00

(*) Onder 'Bedienden' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 100 %, dus ook bijvoorbeeld arbeiders in de openbare sector.
(**) Onder 'Arbeiders' moet worden verstaan: de werknemers die moeten worden aangegeven aan 108 %, dus ook bijvoorbeeld kunstenaars.

Aangifte van kleine statuten (niet-onderworpen stages)

(24/02/2020)

De wet van 21 december 2018 (BS van 17 januari 2019) regelt een veralgemeende verzekerbaarheid voor arbeidsongevallen van niet aan de socialezekerheidsbijdragen onderworpen stagiairs.

De voorziene datum van inwerkingtreding is 1 januari 2020 en geldt ook voor de op deze datum lopende opleidings- en stageovereenkomsten. Hogescholen en universiteiten, hebben in het verleden nooit een Dimona gedaan voor hun studenten. Dit was ook niet verplicht. Andere opleidingsinstellingen waarvoor een Dimona evenmin verplicht was, werden geadviseerd een Dimona DWD te doen voor stages buiten de opleidingsinstelling. Zij moeten nu allemaal een verrijkte Dimona aangifte doen vanaf 1 januari 2020.

Omdat het om de opstart van een systeem gaat midden in het school- of academiejaar, ook voor de lopende opleidings- en stageovereenkomsten, en omdat nog niet iedereen zich voldoende heeft kunnen organiseren om de aangiftes in te dienen, is er een akkoord om een zekere tolerantie te hanteren voor:

  • de aangifte van de op 1 januari 2020 reeds lopende opleidings- en stageovereenkomsten door scholen, hogescholen, universiteiten en opleidingsinstellingen voor de stages waarvoor ze zelf aangever zijn, zodat men zich in regel kan stellen tot 30 juni 2020 zonder repercussies naar de aangever toe.
  • de aangifte van de vanaf 1 januari 2020 aangevangen nieuwe opleidings- en stageovereenkomsten door scholen, hogescholen, universiteiten en opleidingsinstellingen voor de stages waarvoor ze zelf aangever zijn, zodat men zich in regel kan stellen tot 30 juni 2020 zonder repercussies naar de aangever toe.

Het betreft dus enkel de Dimona aangiftes die uitgevoerd moeten worden door de scholen, hogescholen, universiteiten en door de opleidingsinstellingen (= organiserende instanties die in het kader van de wetgeving ‘kleine statuten’ worden aanzien als werkgever m.b.t. de door hen georganiseerde opleidingen tot betaalde arbeid:VDAB, Actiris, FOREm, AVIQ, PHARE,…), niet de Dimona aangiftes die uitgevoerd moeten worden door de stagegevers.

Meer informatie over de verschillende opleidingsinstellingen en de opleidings- en stageovereenkomsten waarvoor zij de Dimona aangiftes dienen uit te voeren, vindt u op de website van Fedris  (>professional>privesector>wetgeving-rechtspraak onderaan pagina 'Kleine Statuten).

Ter herinnering, wanneer de aangifte gebeurt door de opleidingsinstelling, (hoge)school of universiteit, is de gedekte periode (IN / OUT) de periode gedurende welke stageactiviteiten kunnen worden uitgeoefend. Voor scholen, hogescholen of universiteiten die stagiairs uitsturen komt dit overeen met het begin en het einde van het school- of academiejaar. Zo moet er maar één aangifte gebeuren, ook als de student / stagiair tijdens het school- of academiejaar op verschillende stageplaatsen actief is.

We herinneren er eveneens aan dat lopende opleidings- en stageovereenkomsten die zullen moeten worden aangegeven door de opleidingsinstelling, (hoge)school of universiteit en die al aangegeven zouden zijn met een Dimona 'DWD', met een Dimona OUT moeten worden afgesloten op 31 december 2019 (technisch gezien moet een Dimona 'wijzigen' gebeuren om de reeds bestaande einddatum te vervroegen) en met een Dimona IN, type 'STG' op datum van 1 januari 2020 opnieuw moeten worden aangegeven, verrijkt met de bijkomende gegevens. 

Meer informatie betreffende de verrijkte aangifte Dimona vindt u in onze tussentijdse mededeling over de 'aangifte van kleine statuten (niet-onderworpen stages)