Voorschotten

Beginselen

De meeste werkgevers zijn voorschotten verschuldigd aan de RSZ.

Het bedrag van de voorschotten wordt door de RSZ berekend en aan de werkgever of zijn sociaal secretariaat meegedeeld.

Werkgevers die geen provinciaal of plaatselijk bestuur zijn en die niet aangesloten zijn bij een erkend sociaal secretariaat krijgen elke maand een brief van de RSZ met de volledige berekening van het voorschot en een speciale gestructureerde mededeling die de werkgever enkel mag gebruiken bij de betaling van het voorschot. Als deze brief vragen oproept, kan de werkgever contact nemen met zijn rekeninghouder bij de Directie Inning van de RSZ.

Provinciale en plaatselijke besturen ontvangen van de RSZ elke maand de maandelijkse factuur in hun e-box. Als deze factuur vragen oproept, kan de werknemer contact opnemen met zijn rekeninghouder bij de Directie Inning van de RSZ.

Bijdragen zijn niet alleen de eigenlijke socialezekerheidsbijdragen, maar ook alle andere bijdragen die de RSZ wettelijk moet innen (bijdragen voor bestaanszekerheid, bijdragen voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, bijdrage op het dubbel vakantiegeld, enz.). Er wordt evenwel geen rekening gehouden met het gedeelte van de bijdragen die jaarlijks aan de RSZ moeten worden betaald. Het betreft in het bijzonder het bedrag van het debetbericht voor de regeling van de jaarlijkse vakantie van de handarbeiders en het bedrag van de compenserende bijdrage die de werkgever eventueel aan de RSZ verschuldigd is in het raam van de herverdeling der sociale lasten.

Betaaldata

Het verschil tussen het totaal van de maandelijkse voorschotten en het totaal te betalen bedrag, zoals dit berekend werd in de kwartaalaangifte, moet uiterlijk de laatste dag van de maand die op het kwartaal volgt, bij de RSZ toekomen.

De uiterste data voor de betalingen aan de RSZ zijn voor DmfA:

Aard van de stortingen

1ste kwartaal

2de kwartaal

3de kwartaal

4de kwartaal

1ste maandelijks voorschot

5 februari

5 mei

5 augustus

5 november

2de maandelijks voorschot

5 maart 

5 juni

5 september

5 december

3de maandelijks voorschot

5 april

5 juli

5 oktober

5 januari

saldo

30 april

31 juli

31 oktober

31 januari

Termijnen en bedragen

Voor elk kwartaal moet de werkgever zich de vraag stellen of hij voorschotten moet betalen; zo ja, wat is het bedrag ervan en op welke data moet hij ze betalen?

1ste mogelijkheid: geen voorschot (DmfA)

Het totaal aan bijdragen voor het voorlaatste kwartaal (k-2) beloopt niet meer dan 4.000,00 EUR : de werkgever moet voor dat kwartaal geen voorschotten betalen. De bijdragen mogen door middel van een enkele storting bij de RSZ toekomen.

Opgelet: een werkgever die geen aangifte moet indienen voor (k-2) is forfaitaire voorschotten verschuldigd met uitzondering van een nieuwe werkgever voor de eerste 2 maanden van tewerkstelling (omdat hij geen werknemers in dienst heeft tijdens de voorlaatste maand (n-2)).

2de mogelijkheid: forfaitaire voorschotten (DmfA)

Bedrag van het forfait

450,00 EUR

700,00 EUR

Welke werkgevers?

alle werkgevers met uitzondering van de bouwsector wat betreft hun arbeiders

werkgevers die vallen onder het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf, enkel voor hun arbeiders (hun bedienden vallen onder het algemene regime hiernaast)

Welke werknemers?

alle werknemers behalve de arbeiders van de bouwsector

Tellen mee:

Tellen niet mee:

arbeiders die vallen onder het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf

Tellen mee:

  • arbeiders die in Dimona worden aangegeven met type werknemers BCW

Tellen niet mee:

  • werknemers die in Dimona worden aangegeven met een type werknemer dat niet BCW is
  • bruggepensioneerden

Is verschuldigd wanneer

  • de werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor het voorlaatste kwartaal (k-2), zelfs als hij bijdragen verschuldigd was voor k-4

of

  • de werkgever een totaal aan bijdragen voor (k-2) > 4.000,00 EUR had maar geen bijdragen verschuldigd was voor het overeenstemmende kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar (k-4)
  • de werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor het voorlaatste kwartaal (k-2)

of

  • de werkgever een totaal aan bijdragen voor (k-2) > 4.000,00 EUR had maar geen bijdragen verschuldigd was voor het overeenstemmende kwartaal van het voorafgaande kalenderjaar (k-4)

Hoe berekenen?

een forfait van 450,00 EUR voor elke werknemer vanaf de 3de werknemer die hij tewerkstelt op het einde van de voorlaatste maand (n-2)

een forfait van 700,00 EUR voor elke arbeider vanaf de 3de arbeider die hij tewerkstelt op het einde van de voorlaatste maand (n-2)

Betaaltermijn

uiterlijk de 5de dag van elke maand (n)

uiterlijk de 5de dag van elke maand (n)

Voorbeeld

voor het voorschot dat verschuldigd is uiterlijk 5 mei 2013 (n), telt het aantal werknemers tewerkgesteld op het einde van de maand maart 2013 (n-2).

een werkgever stelt sinds 5 januari 2013 8 werknemers tewerk: 4 onder het PC bouw en 4 onder een ander PC. Het 1ste voorschot voor het 2de kwartaal 2013 is verschuldigd uiterlijk 5 mei 2013 (n). De toestand op 31 maart 2013, op het einde van de voorlaatste maand (n-2), is dezelfde als bij de start. Het 1ste voorschot voor het 2de kwartaal 2013 is gelijk aan 2.300,00 EUR (450,00 x 2 + 700,00 x 2)

3de mogelijkheid: procentuele voorschotten (DmfA)

Welke werkgevers: alle werkgevers.

Wanneer verschuldigd: het totaal aan bijdragen voor (k-2) is groter dan 4.000,00 EUR en de werkgever was bijdragen verschuldigd voor (k-4) (het overeenstemmend kwartaal van het voorgaande kalenderjaar).

Bedragen en betaaltermijnen:

Kwartaal1ste voorschot2de voorschot 3de voorschot

1ste kwartaal

30 % k-4 (5 februari)

30 % k-4 (5 maart)

25 % k-4 (5 april)

2de kwartaal

30 % k-4 (5 mei)

30 % k-4 (5 juni)

25 % k-4 (5 juli)

3de kwartaal

30 % k-4 (5 augustus)

30 % k-4 (5 september)

25 % k-4 (5 oktober)

4de kwartaal

30 % k-4 (5 november)

35 % k-4 (5 december)

15 % k-4 (5 januari)

Uitleg tabel

Voor het 1ste, 2de en 3de kwartaal: het bedrag van het 1ste en 2de maandelijks voorschot is gelijk aan 30 % van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmend kwartaal van het voorgaande jaar. Te storten uiterlijk de 5de dag van 2de en 3de maand van het lopende kwartaal.

Het bedrag van het 3de maandelijks voorschot is gelijk aan 25 % van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmend kwartaal van het voorgaande jaar. Te storten uiterlijk de 5de dag van de maand die volgt op het lopend kwartaal.

Voor het 4de kwartaal: de voorschotten zijn gelijk aan 30, 35 en 15 % van de bijdagen van het overeenstemmend kwartaal van het voorgaande jaar, te storten uiterlijk op 5 november, 5 december en 5 januari.

In het geval de werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor (k-4), is de werkgever forfaitaire voorschotten verschuldigd (mogelijkheid 2).

4de mogelijkheid: procentuele voorschotten (DmfAPPL)

Welke werkgevers: alle provinciale en plaatselijke besturen

Bedragen en betaaltermijnen:

Kwartaal1ste voorschot2de voorschot 3de voorschot

1ste kwartaal

33 % k-4 (5 januari)

33 % k-4 (5 februari)

33 % k-4 (5 maart)

2de kwartaal

33 % k-4 (5 april)

33 % k-4 (5 mei)

33 % k-4 (5 juni)

3de kwartaal

33 % k-4 (5 juli)

33 % k-4 (5 augustus)

33 % k-4 (5 september)

4de kwartaal

33 % k-4 (5 oktober)

33 % k-4 (5 november)

33 % k-4 (5 december)

Uitleg tabel

Het maandelijks voorschot is gelijk aan één derde van de bijdragen die het bestuur voor het overeenstemmende kwartaal van het voorgaande jaar aan de RSZ verschuldigd was.

Het bedrag van de maandelijke voorschotten voor een werkgever die voor de eerste maal personeel in dienst neemt, wordt gedurende een jaar vastgesteld op basis van de geraamde bijdragen voor het lopende jaar.

5de mogelijkheid: combinatie van forfaitaire en procentuele voorschotten (DmfA)

Welke werkgevers: de werkgevers die vallen onder het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf, die procentuele voorschotten moeten betalen en een toename kennen van minstens 3 arbeiders tussen:

  • de arbeiders tewerkgesteld op het einde van (k-4) (31 maart voor het 1ste kwartaal, 30 juni voor het 2de kwartaal, 30 september voor het 3de kwartaal en 31 december voor het 4de kwartaal) én
  • de arbeiders tewerkgesteld op het einde van de voorlaatste maand (n-2).

Tellen mee:

Tellen niet mee:

Bedrag: een forfait van 700,00 EUR vanaf de 3de arbeider die een toename uitmaakt.

Betaaltermijn: te storten uiterlijk de 5de van elke maand.

Voorbeeld: een werkgever uit de bouwsector stelt personeel tewerk vanaf 15 april 2011. Op 30 juni 2012 stelt hij 5 arbeiders tewerk. Op 31 maart 2013 (n-2) stelt hij 9 arbeiders tewerk. Voor het 2de kwartaal 2012 moest hij 10.000,00 EUR aan bijdragen betalen. Het 1ste voorschot voor het 2de kwartaal 2013 is verschuldigd uiterlijk 5 mei (n) en is gelijk aan 4.400,00 EUR ( 30 % x 10.000,00 EUR + 2 x 700,00 EUR).

Vermindering van het bedrag van de voorschotten

De werkgever die vermoedt dat respectievelijk 35, 30, 25 of 15 % van de bijdragen van het overeenkomstige kwartaal van het voorafgaande jaar, meer bedraagt dan respectievelijk 35, 30, 25 of 15 % van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal, mag het bedrag van de voorschotten tot dat laatste bedrag verminderen.

De werkgever die alleen forfaitaire voorschotten verschuldigd is, mag stoppen met betalen op het moment dat het vermoedelijke eindbedrag bereikt is.

Het verminderen van voorschotten gebeurt op eigen verantwoordelijkheid.

Het bedrag van de voorschotten van een provinciaal of plaatselijk bestuur mag in de loop van het jaar gewijzigd worden op initiatief van de RSZ of op basis van een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de werkgever aan de RSZ. Het bedrag van het nieuwe voorschot wordt door de RSZ ten laatste 30 dagen vóór de vervaldatum van het volgende voorschot betekend.  

Er zal met het naleven van de verplichting inzake het betalen van maandelijkse voorschotten, rekening gehouden worden om te bepalen of een werkgever kan genieten van de bepalingen van het reglement van 22 februari 1974 van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. In dit reglement is vastgelegd in welk geval een werkgever voor een bepaald kwartaal, zonder toepassing van de sancties, over een bijkomende termijn van twee maanden kan beschikken voor de betaling van zijn bijdragen.

Sancties

a) incorrecte betaling van de forfaitaire (met uitzondering van de bouwsector, zie punt b hierna) en de procentuele voorschotten

De werkgever die voor een bepaald kwartaal forfaitaire (enkel het algemeen regime - 450,00 EUR) en/of procentuele voorschotten verschuldigd is en zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, is aan de RSZ een forfaitaire vergoeding verschuldigd in verhouding tot de schijf van aangegeven bijdragen voor dat kwartaal. De sanctie wordt als volgt toegepast:

Bedrag van de aangegeven bijdragen (in EUR)

Sancties (in EUR)

0 tot 18.592,03

123,95

18.592,04 tot 24.789,37

185,92

24.789,38 tot 37.184,04

247,89

37.184,05 tot 49.578,72

371,84

49.578,73 tot 61.973,40

495,79

61.973,41 tot 74.368,07

619,73

74.368,08 tot 99.157,42

743,68

99.157,43 tot 123.946,78

991,57

123.946,79 tot 198.314,84

1.239,47

198.314,85 tot 247.893,54

1.983,15

247.893,55 tot 495.787,06

2.478,94

495.787,07 tot 743.680,59

4.957,87

743.680,60 tot 991.574,11

7.436,81

991.574,12 tot 1.239.467,62

9.915,74

+ 1.239.467,62

12.394,68

Onder bepaalde voorwaarden en in bepaalde situaties kan de werkgever genieten van een vrijstelling of vermindering van de sancties.

De werkgever die aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de vastgestelde termijn kan een volledige vrijstelling van de sancties verkrijgen.

Onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij voorafgaandelijk alle vervallen socialezekerheidsbijdragen heeft betaald, kan de werkgever die het bewijs levert dat de niet-betaling van de voorschotten binnen de reglementaire termijnen toe te schrijven is aan uitzonderlijke omstandigheden, een vermindering verkrijgen van ten hoogste 50 % van de sancties.

Deze vermindering kan van 50 % op 100 % worden gebracht wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld opeisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet of wanneer het Beheerscomité bij een met eenparigheid getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.

Deze sancties zijn niet van toepassing op de forfaitaire voorschotten in de bouwsector.

b) Incorrecte betaling van de forfaitaire voorschotten in de bouwsector

De niet-correcte betaling van forfaitaire voorschotten in de bouwsector wordt geïntegreerd in het begrip "sociale schuld", dat in het kader van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 de verplichting tot het verrichten van een inhouding van 35% bepaalt op de facturen opgemaakt voor werken die onder het toepassingsgebied van dat artikel vallen.