Inleiding

In principe worden alle bijdragen (zowel de gewone bijdragen als de bijzondere bijdragen) berekend op het niveau van de werknemer. Evenwel is dit niet het geval voor:

  • de bijzondere bijdrage van 8,86 % op de stortingen van werkgevers voor de vorming van een buitenwettelijk pensioen (werknemerskengetal bijdragen 864 en 865):
  • de bijzondere aanvullende bijdrage van 3%, verschuldigd op het deel van de stortingen voor de vorming van een buitenwettelijk pensioen dat het bedrag van 30.000 EUR per jaar overschrijdt (werknemerskengetal bijdragen 867);
  • de bijdrage verschuldigd op het (dubbel) vakantiegeld van de werknemers die niet meer in dienst zijn (werknemerskengetal bijdragen 870 en 871);
  • de solidariteitsbijdrage op een ter beschikking gesteld bedrijfsvoertuig (werknemerskengetal bijdragen 862).

De vergoedingen aan de werknemers die niet meer in dienst zijn, worden aangegeven in combinatie met de werkgeverscategorie 959 (werknemers die niet meer in dienst zijn). De RSZ vraagt aan de provinciale en plaatselijke besturen om deze vergoedingen zo weinig mogelijk met een blok “bijdrage die niet gebonden is aan een natuurlijk persoon” aan te geven. Deze vergoedingen kunnen immers ook per individuele werknemer aangegeven worden met een regulariserende aangifte in het laatste kwartaal dat de werknemer in dienst was. De RSZ geeft voor de provinciale en plaatselijke besturen de voorkeur aan deze laatste wijze van aangifte.