DEEL 3: PERSONEEL TOEPASSINGSGEBIED VAN DE SOCIALE ZEKERHEID
TITEL 2: VERRUIMINGEN
HOOFDSTUK 2: HET SOCIAAL STATUUT VAN DE ONTHAALOUDERS

3.2.201 A. ALGEMEENHEDEN
3.2.202 B. TOEPASSINGSGEBIED
3.2.203 C. HET SOCIAAL STATUUT
3.2.204 D. IN DE SOCIALEZEKERHEIDSAANGIFTE TE VERMELDEN LOON- EN ARBEIDSTIJDGEGEVENS
3.2.205 E. VERSCHULDIGDE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN

A. ALGEMEENHEDEN

3.2.201

Het koninklijk besluit van 18-3-2003 tot aanvulling van het koninklijk besluit van 28-11-1969 en tot vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen en de beroepsziekten ten gunste van de onthaalouders stelde met ingang van 1-4-2003 een sociaal statuut in voor de onthaalouders die aangesloten zijn bij een erkende dienst voor opvanggezinnen waarmee zij niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst.

Het besluit onderwerpt de erkende en gesubsidieerde onthaalouders aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Zij worden als werknemers beschouwd, niettegenstaande dat zij geen werknemers zijn in arbeidsrechtelijke zin aangezien zij niet met een arbeidsovereenkomst verbonden zijn met de erkende opvangdienst. Deze opvangdienst wordt desalniettemin door de sociale zekerheid als werkgever beschouwd.

Dit betekent dat de plaatselijke besturen die een erkende opvangdienst organiseren, ertoe gehouden zijn om met betrekking tot voormelde onthaalouders bepaalde sociaal zekerheidsrechtelijke verplichtingen als werkgever op zich te nemen zoals zij die moeten nakomen voor hun eigen personeelsleden. Zo dienen de besturen deze onthaalouders met ingang van het tweede kwartaal van 2003 te vermelden op de kwartaalaangifte voor sociale zekerheid en de voor de onthaalouders verschuldigde persoonlijke en patronale socialezekerheidsbijdragen te betalen.
Top


B. TOEPASSINGSGEBIED

3.2.202

Het sociaal statuut voor onthaalouders is van toepassing op alle natuurlijke personen die instaan voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband. Zij dienen aangesloten te zijn bij een door Kind en Gezin erkende opvangdienst waarmee zij niet zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst.

Worden niet bedoeld: de onthaalouders die hun prestaties verrichten in uitvoering van een arbeidsovereenkomst uit hoofde waarvan zij als contractuele werknemers onderworpen zijn aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers, noch de onthaalouders die als zelfstandige werkzaam zijn waardoor zij voor hun prestaties onder de toepassing vallen van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Top


C. HET SOCIAAL STATUUT

3.2.203

Op grond van het koninklijk besluit van 18-3-2003 worden de onthaalouders onder de toepassing gebracht van de volgende takken van de socialezekerheidsregeling voor werknemers:

- de sector gezondheidszorgen en de sector uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering,
- de werkloosheidsregeling die evenwel beperkt wordt tot de specifieke regeling van de opvanguitkeringen,
- de pensioenregeling en
- de kinderbijslagregeling.

Tevens vallen zij onder de toepassing van de arbeidsongevallen- en beroepsziektenregeling van de privé-sector.

1. Regeling van de opvanguitkeringen

Het koninklijk besluit van 26-3-2003 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, q, van de besluitwet van 28-12-1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders voorziet in een bijzondere werkloosheidsregeling voor de onthaalouders.

De onthaalouder heeft namelijk recht op een opvanguitkeringen voor de opvangdagen (opvangdag = de opvang van één kind gedurende de gehele dag) die niet gerealiseerd werden ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de wil van de onthaalouder. Het betreft opvangdagen die de onthaalouder niet heeft kunnen presteren wegens de - van zijn/haar wil onafhankelijke - afwezigheid van de kinderen die bij hem/haar ingeschreven zijn en normaal opgevangen zouden zijn.

Volgende omstandigheden worden beschouwd als ‘omstandigheden onafhankelijk van de wil van de onthaalouder’:

- de afwezigheid van het kind ingevolge vakantie van de ouders van het op te vangen kind of ingevolge ziekte van het kind en
- de inactiviteit die het gevolg is van de tijdelijke onmogelijkheid wegens overmacht om kinderen op te vangen of van het verbod kinderen op te vangen wegens een besmettelijke ziekte van een persoon die deel uitmaakt van het gezin van de onthaalouder.

Worden niet beschouwd als ‘omstandigheden onafhankelijk de wil van de onthaalouder’:

- de inactiviteit die het gevolg is van de vakantie van de onthaalouder en
- de inactiviteit omdat de onthaalouder geen opvang wenst te realiseren op een wettelijke feestdag of op een andere dag.

De onthaalouder moet met het oog op het bekomen van opvanguitkeringen een “aanvraag om opvanguitkeringen als onthaalouder” indienen bij zijn/haar uitbetalingsinstelling. Heeft de onthaalouder in een bepaalde maand inkomensverlies geleden door het niet presteren van opvangdagen ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn/haar wil, dan bezorgt de dienst voor opvanggezinnen, na het verstrijken van de betrokken maand, aan de onthaalouder die daarom verzoekt een “werkloosheidsbewijs voor de onthaalouder”. Na indiening van dit formulier zal de uitbetalingsinstelling overgaan tot uitbetaling van de opvanguitkering.

2. Kinderbijslagregeling

De kinderbijslagregeling die van toepassing is op het personeel van de bij de RSZPPO aangesloten besturen is mutatis mutandis van toepassing op de onthaalouders.

3. Arbeidsongevallen- en beroepsziektenregeling

In tegenstelling tot het eigen personeel van de bij de RSZPPO aangesloten besturen, die ressorteren onder de regeling inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten van de overheidssector, vallen de onthaalouders onder de toepassing van de arbeidsongevallenregeling en beroepsziektenregeling van de privé-sector, respectievelijk georganiseerd door de wet van 10-4-1971 op de arbeidsongevallen en de gecoördineerde wetten van 3-6-1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten.

Dit brengt met zich dat de plaatselijke besturen voor de onthaalouders inzake arbeidsongevallen een verzekeringsovereenkomst moeten afsluiten met een erkende verzekeringsmaatschappij tot dekking van dit risico en dat op het in de socialezekerheidsaangifte te vermelden loon voor de onthaalouders een werkgeversbijdrage van 0,30% verschuldigd is ten voordele van het Fonds voor Arbeidsongevallen.

4. Gelijkgestelde dagen voor de vaststelling van de rechten in de sociale zekerheid

In het kader van het nieuw sociaal statuut van de onthaalouders worden de wettelijke feestdagen (zonder opvang van kinderen) en maximum 20 (onbezoldigde) vakantiedagen per jaar gelijkgesteld met arbeidsprestaties. Deze dagen worden derhalve in aanmerking genomen bij de vaststelling van de rechten van de onthaalouder in de sociale zekerheid.

De andere dagen waarop onthaalouder beslist geen kinderen op te vangen, worden beschouwd als verlof zonder wedde en doen geen rechten in de sociale zekerheid ontstaan.
Top


D. IN DE SOCIALEZEKERHEIDSAANGIFTE TE VERMELDEN LOON- EN ARBEIDSTIJDGEGEVENS

3.2.204

1. Vaststelling van de op de kwartaalaangifte te vermelden prestaties

Het aantal voor de onthaalouders in aanmerking te nemen arbeidsuren staat in strikte verhouding tot de werkelijk gedane opvang, uitgedrukt in opvangdagen.

Het (fictieve) aantal arbeidsuren wordt bekomen door het aantal volledige opvangdagen te vermenigvuldigen met 1,9.
1,9 is de verhouding van 494 (= het aantal arbeidsuren dat een voltijds, in de 38-urenregeling tewerkgestelde werknemer maximaal presteert in de loop van een kwartaal) en 260 (= de driemaandelijkse maximumprestatie van een onthaalouder, uitgedrukt in opvangdagen: dit wil zeggen 65 arbeidsdagen in een kwartaal vermenigvuldigd met 4 aangezien dit het maximum aantal kinderen is waarvoor een onthaalouder kan worden erkend).

De fictieve uren die overeenstemmen met de - maximum 20 (onbezoldigde) - vakantiedagen per jaar en met de wettelijke feestdagen zonder opvang van kinderen (= gelijkgestelde dagen) worden bekomen door dit aantal dagen te vermenigvuldigen met het gemiddeld aantal ingeschreven kinderen in de maand waarin deze dagen vallen en dit product (= fictief aantal opvangdagen dat overeenstemt met deze dagen) vervolgens te vermenigvuldigen met 1,9.

De fictieve uren die overeenstemmen met de andere dagen waarop de onthaalouder beslist geen kinderen op te vangen alsook de fictieve uren die overeenstemmen met de dagen van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, moederschapsbescherming, arbeidsongeval of beroepsziekte worden op dezelfde wijze verkregen.

2. Vaststelling van het op de kwartaalaangifte te vermelden loon

Voor de onthaalouders worden de socialezekerheidsbijdragen berekend en betaald op basis van een fictief forfaitair uurloon. Dit fictief forfaitair uurloon is gelijk aan driemaal het gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen, gedeeld door 494. Het bedrag van dit gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, dat is gekoppeld aan een spilindex, is het bedrag bedoeld in artikel 3 van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2-5-1988 en beloopt momenteel 1.234,20 EUR.

Het bedrag van het in de socialezekerheidsaangifte te vermelden loon voor de onthaalouders wordt verkregen door het berekende fictieve aantal arbeidsuren te vermenigvuldigen met voormeld fictief forfaitair uurloon.

3. RSZPPO-rekenblad

De loon- en arbeidstijdgegevens van de onthaalouders moeten in de socialezekerheidsaangifte vermeld worden en worden automatisch gegenereerd door een Excel-rekenblad dat op de website van de RSZPPO ter beschikking wordt gesteld.

De outputgegevens van dit rekenblad zijn dus onmiddellijk dienstig voor opname in de RSZPPO-socialezekerheidsaangifte. De opvangdienst zal het RSZPPO-rekenblad moeten overmaken aan de personeelsdienst en/of het rekencentrum van uw bestuur (naargelang wie de aangifte opmaakt) alsook aan Kind en Gezin, dat op basis van de erin opgenomen gegevens het bedrag van de aan de opvangdienst toekomende subsidiëring zal bepalen.
Top


E. VERSCHULDIGDE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN

3.2.205

Het loonbedrag van de onthaalouders vormt de berekeningsbasis voor de te betalen persoonlijke en patronale socialezekerheidsbijdragen. Het op de onthaalouders toepasselijke basisbijdragepercentage beloopt 42,24% (13,07% werknemersbijdrage en 29,17% werkgeversbijdrage).
Evenwel worden de aldus berekende persoonlijke én patronale (basis)bijdragen voor sociale zekerheid verminderd volgens de twee hierna vermelde regelingen:

1. Vermindering van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen

Daar voor de onthaalouders de socialezekerheidsbijdragen berekend worden op basis van een fictief forfaitair uurloon van 7,50 EUR, kunnen zij genieten van een vermindering van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen op grond van de regeling die geldt voor de werknemers met een laag loon.

Gelet op het feit dat het fictief maandloon van een onthaalouder die volledige maandprestaties zou hebben verricht (= 164,67 uren), zich tussen de eerste twee loongrenzen situeert (tussen 1.234,23 EUR en 1.703,42 EUR), bedraagt het bedrag van de vermindering steeds 140 EUR per maand voor een onthaalouder met volledige prestaties.

Heeft de onthaalouder onvolledige maandprestaties verricht, wordt het bedrag van de vermindering verkregen door 140 EUR te vermenigvuldigen met de prestatiebreuk van de onthaalouder in de betrokken maand. De breuk van de prestaties is de verhouding tussen het (fictieve) aantal arbeidsuren van de onthaalouder in de maand en het aantal uren overeenstemmend met volledige maandelijkse prestaties voor een persoon die instaat voor dagopvang van kinderen (= 164,67 uren).

2. Vermindering van de patronale socialezekerheidsbijdragen

Driemaandelijks wordt een vrijstelling toegekend van de verschuldigde werkgeversbijdragen voor een deel van het fictief forfaitair loon, de “franchise” (F) genoemd. Het basisbedrag van de toegekende franchise (Fb) is vastgesteld op 2.270,01 EUR.

Het bedrag van de vrijstelling van de werkgeversbijdragen wordt berekend door de franchise te vermenigvuldigen met het percentage aan werkgeversbijdragen. Voor de onthaalouders die volledige driemaandelijkse prestaties hebben verricht (d.w.z. aangegeven zijn voor een tewerkstelling van 494 uur per kwartaal), komt de toepasselijke franchise (F) overeen met het basisbedrag (= 2.270,01 EUR). Het bedrag van de vrijstelling beloopt derhalve 662,16 EUR per kwartaal.

Voor de onthaalouders die onvolledige driemaandelijkse prestaties hebben verricht, wordt, voor zover de tewerkstelling een minimumgrens bereikt, de franchise proportioneel toegekend in verhouding tot de prestaties waarbij deze in voorkomend geval nog eens gecorrigeerd wordt door middel van een coëfficiënt. Het basisbedrag van de franchise moet in dit geval vermenigvuldigd worden met de breuk van de prestaties verricht door de onthaalouder tijdens het kwartaal en, desgevallend, met de correctiecoëfficiënt (ss) die gelijk is aan 1,25.

De prestatiebreuk (µ) die van deze rekensom het resultaat is, is de verhouding tussen het aantal arbeidsuren van de onthaalouder in het kwartaal en het aantal uren overeenstemmend met volledige driemaandelijkse prestaties voor een persoon die instaat voor dagopvang van kinderen (= 494 uren). De breuk wordt afgerond op de tweede decimaal na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.

De toegekende franchise voor de onthaalouders met onvolledige kwartaalprestaties wordt derhalve als volgt berekend:

- Wanneer de breuk van de prestaties van de onthaalouder minder bedraagt dan een 1/3e-tijdse tewerkstelling (33% prestaties), geeft de onthaalouder geen recht op de franchise.
- Wanneer de breuk van de prestaties van de onthaalouder ten minste gelijk is aan 1/3e-tijdse tewerkstelling (33% prestaties) en ten hoogste gelijk is aan 4/5e-tijdse tewerkstelling (80% prestaties), is de franchise (F) gelijk aan: 2.270,01 EUR (Fb) x prestatiebreuk (µ) x 1,25 (ss). F wordt afgerond op de tweede decimaal na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
- Wanneer de breuk van de prestaties van de onthaalouder meer bedraagt dan een 4/5e-tijdse tewerkstelling (80% prestaties), is de toegekende franchise gelijk aan 2.270,01 EUR (Fb).
Top