DEEL 3: Bijzondere regels van toepassing op bepaalde werknemers
TITEL 12: Onthaalouders

3.12.01 Onderwerping
3.12.01 New Paragraph ! Onderwerping

Titel III van de Programmawet van 24 december 2002 (II) (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002) en het koninklijk besluit van 18 maart 2003 tot aanvulling van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot vaststelling van de bijzondere bepalingen betreffende de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen en de beroepsziekten ten gunste van de onthaalouders (Belgisch Staatsblad van 27 maart 2003) organiseert het nieuw statuut van de personen die de kinderopvang binnen een familiaal kader verzekeren, aangesloten zijnde bij een dienst erkend door één van de drie Gemeenschappen, waarbij ze niet verbonden waren met een arbeidsovereenkomst.

Het is de erkende opvangdienst die beschouwd wordt als hun werkgever en die alle verplichtingen moet vervullen.

Vanaf 1 april 2003, worden de onthaalouders, voor de sociale zekerheid, gelijkgesteld met werknemers en dragen bij tot het geheel van stelsels van de sociale zekerheid met uitsluiting van de jaarlijkse vakantie.


Voor wat betreft de sector werkloosheid opent de gestorte bijdrage voor hen geen recht op normale werkloosheidsuitkering maar op een “opvangvergoeding” die hen wordt toegekend door de RVA indien hun inkomsten verminderen door de afwezigheid van bij hen ingeschreven kinderen, om redenen buiten de wil van de onthaalouders.

Vanaf het tweede kwartaal 2003, moeten de erkende opvangdiensten binnen de gewone termijnen, de aangifte doen van de erkende onthaalouders die van hen afhangen. Een speciaal werknemerskengetal 497 werd met dit doel gecreëerd.

Zij hebben de mogelijkheid om hen aan te geven:
Ø Ofwel met dezelfde aangifte voor hun eigen personeel onder het inschrijvingsnummer waarover ze reeds beschikken en onder dezelfde werkgeverscategorie;
Ø Ofwel, indien ze hen gescheiden willen aangeven, door oprichting van een nieuwe VZW met als maatschappelijk doel, de verrichting van de sociaalrechtelijke verplichtingen voortvloeiend uit het statuut van de erkende onthaalouders. In dat geval dient zo spoedig mogelijk een nieuwe aanvraag tot inschrijving te worden ingediend bij de diensten van de RSZ.

Bijdragen
De verschuldigde basisbijdragen voor de onthaalouders zijn:

Voor de erkende onthaalouders
Wnkgt 497
(op een bezoldiging aan 100 %)
Werknemers-

bijdragen

13,07 %
Werkgevers-

bijdragen

24,96 %
Loonmatiging
7,08 %
Totaal
45,11 %

Zij zijn eveneens de bijzondere werkgeversbijdrage verschuldigd van 0,10% bestemd voor de financiering van de tijdelijke werkloosheid en van de anciënniteittoeslag voor oudere werknemers (Wnkgt 859).

Berekening van de prestaties
Voor de aangifte aan de sociale zekerheid, wordt het aantal gepresteerde kindopvangdagen omgezet in een aantal fictieve arbeidsuren. De aangifte gebeurt verplicht in dagen en uren aangezien de onthaalouders worden gelijkgesteld met deeltijdse werknemers. De fictieve arbeidsuren worden geacht verricht te zijn in een vijfdagenweekstelsel met een maatpersoon die 38 uren per week presteert.


Onthaalouders worden voor hun activiteit erkend door een opvangdienst die afhangt van de Gemeenschap (Vlaamse, Franse of Duitstalige) waarbinnen zij werkzaam zijn. Deze erkenning vermeldt steeds de erkende capaciteit, dit is het maximum aantal kinderen dat de betrokken onthaalouder gelijktijdig mag opvangen, met een absoluut maximum van 4. Daarom wordt de opvang van 4 kinderen gelijkgesteld met een voltijdse betrekking. Deze stemt overeen met de prestaties van de maatpersoon, dit wil zeggen met 38 uur per week of met 7,6 uren per dag in een vijfdagenweekstelsel. De opvang van 4 kinderen gedurende een ganse dag (4 kindopvangdagen) leidt aldus tot de aangifte van 7,6 uur. Eén kindopvangdag stemt dus overeen met 7,6 / 4 = 1,9 uur op de RSZ-aangifte.

De aangifte van de werkelijke opvang (prestatiecode 01) gebeurt als volgt:

o Aantal aan te geven fictieve arbeidsuren = aantal werkelijk gepresteerde

o Aantal aan te geven fictieve arbeidsdagen = aantal aangegeven fictieve arbeidsuren / 7,6

Daarnaast beperken de onderscheiden gemeenschapswetgevingen de kwartaalprestaties van een onthaalouder tot een maximum van 65 maal de erkende capaciteit. Voor een onthaalouder met de maximale erkenning van 4 kinderen betekent dit dat de kwartaalprestaties 260 kindopvangdagen niet mogen overschrijden. Deze 260 kindopvangdagen stemmen overeen met 260 * 1,9 = 494 fictieve arbeidsuren per kwartaal. Dit is het absoluut wettelijke maximum dat in principe door geen enkele onthaalouder kan worden overschreden. Niet alle onthaalouders zijn echter erkend voor 4 kinderen, soms omdat zij zelf minder dan 4 kinderen wensen op te vangen, soms omdat de omstandigheden (grootte van de woning bijvoorbeeld) de opvang van 4 kinderen onmogelijk maken. Een onthaalouder met een erkende capaciteit van minder dan 4 kinderen kan dan ook nooit met 494 fictieve uren per kwartaal worden aangegeven. De individuele maximumprestatie, uitgedrukt in kindopvangdagen per kwartaal bedraagt aldus 130 kindopvangdagen (=247 fictieve arbeidsuren) bij een erkenning voor 2 kinderen en 195 kindopvangdagen (=370,5 fictieve arbeidsuren) bij een erkenning voor 3 kinderen.

Naast de erkende capaciteit bestaat er voor elke onthaalouder ook een ingeschreven capaciteit. Deze stemt overeen met het aantal kindopvangdagen dat zou worden gepresteerd op basis van de overeenkomsten (onthaalcontracten) tussen de onthaalouder en de ouders van de opgevangen kinderen en in de veronderstelling dat alle kinderen op de overeengekomen dagen aanwezig zijn (een onthaalouder kan bvb. erkend zijn voor de opvang van 4 kinderen, maar enkel overeenkomsten hebben afgesloten voor 3 kinderen). De ingeschreven capaciteit is een belangrijk gegeven binnen de sociale zekerheid en speelt bvb. een essentiële rol bij de bepaling van de opvanguitkering ten laste van de RVA.

Sluitingsdagen:
Naast de reële opvang, kan elke onthaalouder ook vrij beslissen om op bepaalde dagen te sluiten en geen kinderen op te vangen op deze dagen. Deze dagen worden beschouwd als “sluitingsdagen” en niet als “vakantiedagen” omdat de onthaalouders niet worden beschouwd als werknemers die vallen onder de regeling voor jaarlijkse vakantie.

Niettemin worden een aantal van deze sluitingsdagen door het nieuwe statuut meegeteld bij de opbouw van sociale rechten en moeten ze daarom met specifieke indicatieve codes worden aangegeven. Deze dagen worden per maand geteld (voor de maandelijkse werkloosheidsaangifte –zie verder) en de gegevens van drie maanden worden bij elkaar geteld in de kwartaalaangifte. Daarbij worden enkel die sluitingsdagen meegeteld die vallen op een dag waarop de onthaalouder normaal opvang zou hebben verricht (voor een onthaalouder die op donderdag nooit kinderen opvangt, mag Hemelvaartsdag niet als sluitingsdag worden meegeteld; hetzelfde geldt voor onthaalouders die nooit ’s maandags werken en voor wie Paasmaandag en Pinkstermaandag niet als sluitingsdagen kunnen worden beschouwd).

Omdat de onthaalouders voor de RSZ-aangifte worden gelijkgesteld met deeltijdse werknemers, moeten voor al deze sluitingsdagen zowel fictieve uren als fictieve dagen worden aangegeven. De aan te geven uren zijn gebaseerd op de gemiddelde dagelijkse opvangcapaciteit van de maand. Deze wordt bekomen door de ingeschreven capaciteit van de maand te delen door het aantal kalenderdagen waarop deze geplande opvang normaal zou plaats vinden. Het aantal aan te geven fictieve uren wordt bekomen door het aantal sluitingsdagen te vermenigvuldigen met de gemiddelde dagelijkse opvangcapaciteit van de maand. De aan te geven fictieve dagen stemmen overeen met de aangegeven fictieve uren, gedeeld door 7,6.

Deze gelijkgestelde sluitingsdagen betreffen in de eerste plaats de dagen waarop de onthaalouder niet werkt wegens ziekte, moederschapverlof, arbeidsongeval of beroepsziekte. Daarnaast worden ook de wettelijke feestdagen meegeteld waarop de onthaalouder sluit (dus niet de wettelijke feestdagen waarop er wel kinderen worden opgevangen- en evenmin de wettelijke feestdagen die vallen op een dag waarop nooit opvang wordt verricht). Wanneer een onthaalouder normaal op zondag kinderen opvangt, maar dit uitzonderlijk niet doet ter gelegenheid van een wettelijke feestdag die op een zondag valt (bvb. Pasen), wordt deze dag ook meegeteld als een sluitingsdag die sociale rechten opent. Naast de wettelijke feestdagen mag een onthaalouder ook maximum 20 dagen per jaar sluiten (zonder enige verplichting dit te doen) om vakantie op te nemen, waarbij deze dagen meetellen bij de opbouw van sociale rechten. Al deze sluitingsdagen zijn voor de sociale zekerheid gelijkgestelde dagen.

Een onthaalouder die meer dan 20 dagen per jaar sluit om vakantie te nemen (bvb. een onthaalouder die de ganse zomervakantie sluit) bouwt met deze bijkomende sluitingsdagen (>20) geen sociale rechten op. Ze moeten wel worden aangegeven als verlof zonder wedde. Het zijn dus geen gelijkgestelde dagen.

Afwezigheid van kinderen voor redenen buiten de wil van de onthaalouder
Ter compensatie van niet geleverde prestaties, te wijten aan de afwezigheid van normaal aanwezige kinderen, om redenen buiten de wil van de onthaalouder, worden “opvanguitkeringen” ten laste van de sector werkloosheid toegekend.

De sector werkloosheid heeft een speciale regeling uitgewerkt voor de onthaalouders. Aangezien zij niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst kunnen zij niet genieten van een normale werkloosheidsvergoeding. Anderzijds moeten zijn regelmatig loon derven door ongeplande afwezigheden van kinderen (bvb. omdat deze ziek zijn), waardoor zijn minder opvang presteren dan voorzien en zij minder “onkostenvergoeding” ontvangen. De onthaalouders hebben gevraagd om, minstens gedeeltelijk, deze onzekerheid met betrekking tot hun financiële toestand door een vergoeding van de sector werkloosheid te compenseren. Het betreft hier in feite een vergoeding voor deeltijdse economische werkloosheid bij werknemers die als hoofdarbeiders worden beschouwd. Een absolute primeur! Deze vergoeding, “opvanguitkering” genoemd, staat in verhouding tot het aantal fictieve arbeidsuren dat niet kon worden gepresteerd door de afwezigheid van kinderen om redenen buiten de wil van de onthaalouder.
Het formulier om deze opvangvergoeding aan te vragen (C220A) wordt maandelijks door de onthaalouder overgemaakt aan zijn uitbetalingsinstelling. Om het te kunnen invullen is een maandelijkse berekening nodig van de fictieve dagen en uren. Op de kwartaalaangifte worden deze maandgegevens gewoon bij elkaar opgeteld.

In de aangifte te gebruiken prestatiecodes
Op de aangifte worden de fictieve dagen en uren die met de hierboven vermelde “prestaties” overeenstemmen, met de volgende prestatiecodes aangegeven:
CodeOmschrijving
01Werkelijk gerealiseerde kinderopvang (=werkelijke arbeidsprestaties)
50Sluiting wegens ziekte van de onthaalouder
51Sluiting wegens moederschapverlof van de onthaalouder
60Sluiting wegens arbeidsongeval van de onthaalouder
61Sluiting wegens beroepsziekte van de onthaalouder
74Niet geleverde prestaties, te wijten aan de afwezigheid van normaal aanwezige kinderen, om redenen buiten de wil van de onthaalouder (*)
24Sluiting op wettelijke feestdagen, waarop de onthaalouder normaal zou werken + maximum 20 sluitingsdagen per jaar voor het opnemen van vakantie.
Al deze prestaties tellen mee bij de opbouw van sociale rechten (°)
30Bijkomende sluitingsdagen voor het opnemen van vakantie (meer dan 20 per jaar), zonder sociale rechten (#)
(*) nieuwe code, speciaal gecreëerd voor de erkende onthaalouders
(°) bestaande code, voor de andere werknemers gebruikt voor de aangifte van onbezoldigde verlofdagen met behoud van sociale rechten
(#) bestaande code, voor de andere werknemers gebruikt voor de aangifte van verlof zonder wedde (geen sociale rechten)

Loon dat dient als berekeningsbasis
Zoals in het verleden is de belastingvrije onkostenvergoeding van een onthaalouder gelijk aan de vaste opvangdagvergoeding vermenigvuldigd met het aantal werkelijk gepresteerde kindopvangdagen. Vanaf heden worden de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid van deze maandelijkse vergoeding ingehouden. Vanaf 1 april 2003 hebben de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige gemeenschap die de kinderopvang organiseren de opvangdagvergoeding verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de werknemersbijdragen voor één kindopvangdag. Daardoor ontvangen de onthaalouders na afhouding van deze bijdragen hetzelfde nettobedrag als in het verleden.

De berekening van deze sociale bijdragen en verminderingen gebeurt op een fictieve basis vastgesteld op een dergelijke manier dat een voltijdse prestatie (=260 kindopvangdagen of 494 fictieve arbeidsuren per kwartaal) zijn bezoldigd door 3 maal het gewaarborgd gemiddeld minimum maandloon voorzien bij artikel 3 van de CAO nr. 43 van 2 mei 1988. Het fictieve uurloon van de maand bedraagt daardoor 3 maal het GGMMI gedeeld door 494. Het kan van maand tot maand variëren, afhankelijk van de evolutie van het GGMMI. Door dit fictieve uurloon te vermenigvuldigen met het aantal fictieve arbeidsuren bekomt men het loon dat op de aangifte wordt aangegeven. Omdat bij onthaalouders noch premies, noch verbrekingsvergoedingen (bij ontbreken van een arbeidsovereenkomst) kunnen voorkomen wordt hun fictieve loon steeds en uitsluitend aangegeven met bezoldigingscode 01.


Toegestane verminderingen
Ø Een specifieke vermindering van werkgeversbijdragen werd voorzien voor de erkende onthaalouders. Zij bestaat uit een vrijstelling van werkgeversbijdragen op basis van een deel van het fictieve loon, gedeelte genaamd franchise.
De basisfranchise (Fb) is vastgesteld op 2270,01 EUR.

Voor een voltijdse onthaalouder (494 u/kw) bedraagt de vermindering
Fb x basisbijdragevoet
Zij beloopt 2270,01 x 31,95%, zijnde 725,27 EUR.

Voor een onthaalouder met onvolledige prestaties
F = Fb x µ x b
waarbij Fb = 2270,01 EUR
µ = H / 494 (H= aantal aangegeven fictieve uren in het kwartaal), het resultaat afgerond op 2 decimalen
b = 1,25

Als µ lager is dan 0,33 wordt geen vermindering toegestaan.
Zoniet is de vermindering gelijk aan de franchise F vermenigvuldigd met de basisbijdragevoet (31,95%)

De vermindering voor onthaalouders wordt aangegeven met de verminderingscode 1521.

Ø De erkende onthaalouders kunnen ook het recht openen op de vermindering van werknemersbijdragen voor lage lonen (verminderingscode 0001) volgens dezelfde voorwaarden en berekeningswijze als de gewone werknemers. Het in acht te nemen loon is in dit geval het GGMMI.

Aangifte

De nieuwe multifunctionele aangifte werd aangepast en laat toe deze bijzondere werknemers aan te geven met werknemerskengetal 497.

Een Excel-rekenblad is ter beschikking van de werkgevers om hen te helpen de prestaties en lonen te bepalen voor de aangifte. Dit is te vinden op de website van de RSZ op adres:
www.rsz.fgov.be

DIMONA
De verplichtingen betreffende de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (DIMONA) zijn van toepassing voor de erkende onthaalouders.


Top