RSZPPO TUSSENTIJDSE INSTRUCTIES 2008.1 (21/03/2008)

4.1.112. Het loonbegrip voor het vastbenoemd personeel

In uitvoering van het Vlaams gemeentedecreet van 15-7-2005 en het Vlaams provinciedecreet van 9-12-2005 heeft de Vlaamse Regering met het rechtspositiebesluit van 7-12-2007 (B.S., 24-12-2007) de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeente- en het provinciepersoneel vastgelegd met ingang van 1-1-2008.
De regels van dit besluit moeten in 2008 door de gemeente- en de provincieraden geïmplementeerd worden in de rechtspositieregeling van hun personeel (= het personeelsstatuut). Uiterlijk op 1-1-2009 moet de rechtspositieregeling van het personeel in overeenstemming zijn met de bepalingen van het besluit van 7-12-2007 en moeten de eventuele onverenigbaarheden van de bestaande rechtspositieregeling met dit besluit opgeheven zijn.

Toelichting omtrent de bijdragen die verschuldigd zijn op de verschillende toelagen, vergoedingen, sociale voordelen en voordelen in natura die op basis van het rechtspositiebesluit kunnen of moeten toegekend worden aan de personeelsleden van de gemeente- en provinciebesturen, wordt gegeven in de Mededeling 2008/2 die kan geraadpleegd worden op de RSZPPO-website (www.rszppo.fgov.be / werkgevers / documentatie / mededelingen / dienst sociale zekerheid / 2008 / 2).


5.3.101. Herverdeling van de arbeid in de openbare sector – nieuwe aanvraagprocedure

De wet van 4 juni 2007 tot wijziging van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector (B.S., 24-8-2007) bepaalt dat de gemeenten en de provincies, met inbegrip van de gemeentebedrijven, de autonome gemeentebedrijven, de provinciebedrijven en de autonome provinciebedrijven, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare inrichtingen en publiekrechtelijke verenigingen die afhangen van een provincie of een gemeente vanaf 3-9-2007 nog slechts gebruik kunnen maken van de vrijwillige vierdagenweek en de halftijdse vervroegde uittreding na een collectief verzoek.

Een collectief verzoek is een verzoek uitgaande van het gewest, dat organiek bevoegd is om het toezicht uit te oefenen over het lokaal bestuur en dat deze aanvraag namens het bestuur indient bij de federale Minister van Ambtenarenzaken die er zijn akkoord aan moet verlenen. Het provinciaal of plaatselijk bestuur, dat in het stelsel van de halftijdse vervroegde uitdiensttreding en/of het stelsel van de vrijwillige vierdagenweek wil stappen, kan dus niet langer meer rechtstreeks de aanvraag sturen aan de federale Minister van Ambtenarenzaken.

De goedkeuring van het collectief verzoek door de federale Minister van Ambtenarenzaken maakt het voorwerp uit van een koninklijk besluit. Als de goedkeuring verleend werd, is de vrijstelling van de socialezekerheidsbijdragen van toepassing op de maandelijkse premie bij de halftijdse vervroegde uitdiensttreding en op het loon van de vervanger bij de vrijwillige vierdagenweek.

Voor de lopende stelsels tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector die reeds van kracht waren vóór 3-9-2007, wordt de vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen voor de maandelijkse premie bij de halftijdse vervroegde uitdiensttreding en het loon van de vervanger de vrijwillige vierdagenweek verder toegekend zonder dat daartoe een nieuw collectief verzoek moet worden ingediend.

5.3.102. tot 5.3.106. Herverdeling van de arbeid in de openbare sector – halftijdse vervroegde uittreding – versoepeling van het stelsel

Teneinde de werkgelegenheidsgraad van oudere werknemers in de openbare sector te verhogen wijzigt de wet van 4 juni 2007 enkele modaliteiten van de regeling van de halftijdse vervroegde uittreding.
In dit stelsel heeft een vastbenoemd personeelslid het recht om vanaf de leeftijd van 55 jaar halftijds te werken tot aan de datum van zijn al dan niet vervroegde opruststelling.

Tot op heden was de duurtijd van de halftijdse vervroegde uittreding beperkt tot hoogstens 5 jaar en was de keuze voor dit stelsel onherroepelijk: de periode van halftijdse vervroegde uittreding werd noodzakelijkerwijze onmiddellijk gevolgd door de pensionering van het personeelslid zonder dat dit nog de mogelijkheid had om opnieuw voltijdse prestaties te verrichten.

Met ingang van 3-9-2007 werd de bestaande regeling versoepeld op volgende twee punten.

1. schrappen van de maximumperiode van 5 jaar

2. schrappen van de onomkeerbaarheid van de aanvraag
Het nieuwe “uitgebreide” stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding is niet automatisch van toepassing op de ambtenaren van de provinciale en plaatselijke besturen. Voor hen blijft het oude stelsel van de halftijdse vervroegde uitdiensttreding van kracht totdat het bestuur waaronder zij ressorteren de toepassing van het nieuwe stelsel vraagt.
Indien een lokaal bestuur het nieuwe stelsel wil toepassen, moet het een aanvraag daartoe indienen overeenkomstig de onder punt 2 vermelde procedure (= aanvraag via collectief verzoek). Alsdan geldt het “uitgebreide” stelsel voor alle personeelsleden die reeds gebruik maken van het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding en voor alle nieuwe aanvragen voor het stelsel.
Dit betekent dat de personeelsleden die reeds gebruik maken van het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding, kunnen genieten van de versoepeling en dat zij ook uit het stelsel kunnen stappen.
Voor een lokaal bestuur dat reeds in het stelsel van de halftijdse vervroegde uitdiensttreding ingestapt is, verandert niets zolang het geen aanvraag voor het uitgebreide stelsel indient. Het oude stelsel van de halftijdse vervroegde uitdiensttreding blijft van toepassing op alle personeelsleden die reeds gebruik maken van het stelsel alsook op de personeelsleden die het stelsel aanvragen.