DEEL 5: TEWERKSTELLINGSMAATREGELEN EN BIJDRAGEVERMINDERINGEN
TITEL 2: DOELGROEPVERMINDERINGEN
HOOFDSTUK 5: DOELGROEPVERMINDERING VOOR JONGE WERKNEMERS – LAAGGESCHOOLDEN MET EEN STARTBAANOVEREENKOMST

5.2.502 A. JONGEREN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR EEN STARTBAANOVEREENKOMST
5.2.503 B. TEWERKSTELLINGSVERPLICHTING VAN DE WERKGEVER
5.2.504 C. SOORTEN STARTBAANOVEREENKOMST
5.2.505 D. MODALITEITEN
5.2.506 E. VERMINDERING VAN DE PATRONALE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN
5.2.507 F. OVERGANGSMAATREGELEN

5.2.501

De doelgroepvermindering voor jonge werknemers wordt toegekend voor de laaggeschoolde jongeren die tewerkgesteld zijn met een startbaanovereenkomst zoals georganiseerd door de wet van 24-12-1999 ter bevordering van de werkgelegenheid. Top

A. JONGEREN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR EEN STARTBAANOVEREENKOMST

5.2.502

In het kader van een startbaanovereenkomst kunnen worden tewerkgesteld: de jongeren die net vóór hun aanwerving aan volgende twee voorwaarden voldoen:


De jongere die tewerkgesteld wordt in het kader van een startbaanovereenkomst, wordt "nieuwe werknemer" genoemd. Aan nieuwe werknemers worden geen voorwaarden gesteld inzake behaald diploma, maar de werkgever kan de doelgroepvermindering voor jonge werknemers enkel genieten voor laaggeschoolde jongeren (zie infra:).

Een jongere kan aangeworven worden in het kader van een startbaanovereenkomst tot op de laatste dag van het kwartaal tijdens de welke voornoemde jongere 26 jaar wordt.
Top


B. TEWERKSTELLINGSVERPLICHTING VAN DE WERKGEVER

5.2.503

1. Wettelijke verplichting
De verplichting om jongeren in dienst te nemen in het kader van een startbaanovereenkomst is verschillend voor de werkgevers uit de openbare sector en voor de werkgevers uit de private sector.

De openbare werkgevers, waaronder de provinciale en plaatselijke besturen, die minstens 50 werknemers in dienst hadden op 30 juni van het voorgaande jaar, zijn verplicht een bijkomend aantal nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van 1,5 % van het personeelsbestand dat zij tijdens het tweede kwartaal van het voorgaande jaar in dienst hadden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

Het personeelsbestand en het aantal nieuwe werknemers worden bepaald op basis van de voltijdse equivalentenbreuken (= VTE-breuken) van de werknemers .
De lokale en provinciale besturen stellen de "nieuwe werknemers" in de eerste plaats tewerk in globale projecten die beantwoorden aan maatschappelijke behoeften.

De tewerkstelling van nieuwe werknemers betekent een bijkomende tewerkstelling en mag niet worden gecompenseerd door personeel te ontslaan. Onder compensatie van de aanwerving van nieuwe werknemers door ontslag van personeel moet worden verstaan, elk ontslag dat valt in een periode die ingaat twee maanden vóór de indienstneming van een nieuwe werknemer en ten einde loopt bij de beëindiging van de door hem gesloten startbaanovereenkomst, behalve wanneer het gaat om ontslagredenen die losstaan van de indienstneming van die nieuwe werknemer.

De plaatselijke besturen die onderworpen zijn aan een saneringsplan of aan een beheersplan, dat een inkrimping van het personeel oplegt en goedgekeurd is door de bevoegde Gewestelijke Regering, en de plaatselijke besturen die zich in financiële moeilijkheden bevinden, kunnen onder bepaalde voorwaarden door de Minister van Werk ontslagen worden van het geheel of een gedeelte van voormelde verplichtingen. De vrijstelling kan toegestaan worden voor een periode van hoogstens acht kwartalen.

Indien de werkgever aan zijn wettelijke verplichting tot tewerkstelling van jongeren in een startbaanovereenkomst niet naleeft, moet hij een compenserende vergoeding van 75 EUR betalen. Deze vergoeding wordt vermenigvuldigd met:

- het aantal kalenderdagen dat het verplichte aantal jongeren niet werd tewerkgesteld en/of het aantal kalenderdagen dat de aanwerving van jongeren door het ontslag van personeel werd gecompenseerd;

- het aantal jongeren dat niet werd tewerkgesteld en/of het aantal werknemers dat werd ontslagen om de aanwerving van jongeren te compenseren.

Deze compenserende vergoeding wordt gestort op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds dat binnen de FOD Werk, Arbeid en Sociaal Overleg werd opgericht.

2. Berekening van de tewerkstellingsverplichting

Bij de controle of de openbare werkgever aan zijn tewerkstellingsverplichting voldaan heeft, dienen volgende twee berekeningen gemaakt te worden:

1. berekenen van het personeelsbestand in het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar;
2. berekenen van het aantal nieuwe werknemers (= jongeren met een startbaanovereenkomst).

Op basis van deze berekeningen wordt vastgesteld of het aantal nieuwe werknemers al dan niet 1,5% bereikt van het personeelsbestand van de werkgever in het tweede kwartaal van het voorgaande jaar.

a. Berekening van het personeelsbestand

Het personeelsbestand bestaat uit de werknemers waarvoor de werkgever één of meerdere van de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 2, 3 en 3bis van de wet van 29-06-1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers verschuldigd is.

Maken echter geen deel uit van het personeelsbestand:

- het personeel van de onderwijssector;
- de nieuwe werknemers (= jongeren aangeworven in een startbaanovereenkomst).

Het personeelsbestand van het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar wordt berekend in voltijdse equivalenten (VTE), en is de som van de voltijdse equivalentenbreuken (= VTE-breuken), welke voor elke werknemer berekend worden.

De VTE-breuk wordt per individuele werknemer over het kwartaal berekend en dit per tewerkstelling.

De VTE-breuk wordt berekend met de volgende formule:

(Z1): (U x E)

waarbij Z1 = het aantal uren aangegeven voor de tewerkstelling. Het betreft het aantal uren voor de volgende dagen:
- aantal arbeidsdagen (prestatiecode 1), met uitsluiting van de dagen gedekt door een verbrekingsvergoeding (looncode 130);
- de gelijkgestelde dagen (prestatiecodes 10, 13, 21, 22, 24, 50, 51, 52, 71, 72, 73 en 74 ), met uitsluiting van de carensdag (prestatiecode 23);

U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon;
E = 13 (= aantal weken in het kwartaal).

Het totaal van de VTE-breuken van alle tewerkstellingen van een werknemer kan nooit groter zijn dan 1. Voor een voltijds werknemer met volledige prestaties is het totaal van de breuken gelijk aan 1 en voor een voltijds werknemer met onvolledige prestaties of een deeltijdse werknemer is het totaal van de breuken een getal tussen 0 en 1. De afronding van de VTE-breuk gebeurt tot op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.

b. Berekening van het aantal nieuwe werknemers

Ook het aantal nieuwe werknemers wordt bepaald door voormelde VTE-breuk, berekend per individuele werknemer over het kwartaal, samen te tellen.

Voor de berekening van het aantal nieuwe werknemers worden niet alleen de jongeren aangeworven met een startbaanovereenkomst doch ALLE jongeren, waarvan de tewerkstelling onderworpen is aan socialezekerheidsbijdragen, in aanmerking genomen tot en met de laatste dag van het kwartaal waarin zij 25 jaar worden. Zowel de jongeren met een startbaanovereenkomst als de andere – contractuele en vastbenoemde – jongeren worden dus meegeteld. Studenten waarvan de tewerkstelling enkel onderworpen is aan de solidariteitsbijdrage van 7,5 of 12,5% worden daarentegen niet meegeteld.

Met ingang van 1-7-2006 is de leeftijdsgrens voor de berekening van het aantal nieuwe werknemers met één jaar verlaagd: van 26 jaar naar 25 jaar. Evenwel kan de Koning op advies van de bevoegde gewestregering de leeftijd van 25 jaar met één jaar verhogen of verlagen voor de nieuwe werknemers die tewerkgesteld worden in het betreffende gewest.
Aangezien de Vlaamse Regering de federale overheid verzocht heeft de leeftijd van 25 jaar met één jaar te verhogen, worden in het Vlaamse Gewest nog steeds de jongeren tot de leeftijd van 26 jaar in aanmerking genomen.

De VTE-breuken worden dubbel in rekening gebracht voor wat betreft de volgende twee categorieën jongeren:

a. personen die van buitenlandse afkomst zijn

Een persoon van buitenlandse afkomst is een persoon die niet de nationaliteit bezit van een Staat die deel uitmaakt van de Europese Unie, of de persoon waarvan ten minste één van de ouders deze nationaliteit niet bezit of niet bezat op het ogenblik van het overlijden, of waarvan ten minste twee van de grootouders niet deze nationaliteit bezitten of bezaten op het ogenblik van hun overlijden. Het bewijs kan geleverd worden door een verklaring op eer van de betrokken jongere.

b. personen met een handicap

Een persoon met een handicap is een persoon die als dusdanig ingeschreven is bij het “Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap”, en die hiervan het bewijs levert door de mededeling aan de werkgever van een attest van de instelling waaruit zijn inschrijving blijkt.
Top


C. SOORTEN STARTBAANOVEREENKOMST

5.2.504

De startbaanovereenkomst kan drie vormen aannemen:

1. een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst (type één);
2. een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst, minstens halftijds, en een door de jongere gevolgde opleiding, en dit met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (type twee);

Alle door de bevoegde Gewest- of Gemeenschapsoverheden ingerichte, gesubsidieerde of erkende types of vormen van onderwijs, cursussen, opleidingen of vormingen mogen door de jongere gevolgd worden in het kader van dit type van startbaanovereenkomst. De opleiding moet op jaarbasis gemiddeld minstens 240 uren bedragen.

Bij een startbaanovereenkomst “type twee” moet de werkgever in het bezit zijn van een bewijs dat de jongere daadwerkelijk voor de cursussen, opleiding of vorming ingeschreven is of daadwerkelijk een beroepsopleiding gaat volgen. Dit bewijs kan een inschrijvingsattest, afgeleverd door de verantwoordelijke voor de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling zijn, of een overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding, geviseerd door de bevoegde toezichtshoudende overheidsdienst. Op het einde van elk kwartaal moet de jongere aan de werkgever een attest bezorgen dat bewijst dat hij de lessen, cursussen, opleiding of vorming regelmatig volgt.

Mits de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur werd afgesloten, kan de startbaanovereenkomst “type twee” verlengd worden om een jongere die niet geslaagd is de kans te geven de volledige cyclus van de begonnen opleiding met vrucht te beëindigen.

De startbaanovereenkomst “type twee” eindigt wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt, en ten laatste op het einde van het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt.

De startbaanovereenkomst “type twee” wordt automatisch een startbaanovereenkomst “type één” wanneer de opleiding eindigt of wanneer uit het attest blijkt dat de jongere de cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig volgt. Dat is het geval als de jongere tijdens een bepaald kwartaal meer dan 20 % van het aantal uren dat hij normaliter in de loop van dat kwartaal de cursussen, opleiding of vorming volgt, ongewettigd afwezig is. De omzetting naar een startbaanovereenkomst “type één” geschiedt op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de cursussen, opleiding of vorming eindigen of waarin de jongere de cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig heeft gevolgd.

Geen van de drie voornoemde types startbaanovereenkomst kan bestaan uit een arbeidsovereenkomst tussen een jongere en een werkgever, die gesloten werd in het kader van de doorstromingsprogramma’s of van de stelsels van de gesubsidieerde contractuelen bij de plaatselijke besturen of bij sommige openbare besturen.
Top


D. MODALITEITEN

5.2.505

Opdat een overeenkomst als een startbaanovereenkomst wordt beschouwd moet met ingang van 1-1-2004 de nieuwe werknemer die in de loop van het kalenderjaar 19 jaar of ouder wordt, aangeworven worden op basis van een geldige startbaankaart.


1. Startbaankaart

Door middel van een startbaankaart attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de hoofdverblijfplaats van de betrokken jongere, dat de jongere voldoet aan de voorwaarden om in een startbaanovereenkomst tewerkgesteld te worden.

De startbaankaart vermeldt de naam, voornaam en het identificatienummer van de sociale zekerheid van de jongere, alsook de begin- en einddatum van de geldigheid van de startbaankaart en de datum waarop de aanvraag van de startbaankaart werd ingediend.

Desgevallend attesteert ze of de jongere laaggeschoold is, waardoor de doelgroepvermindering voor jonge werknemers kan worden toegekend, en/of de jongere een persoon van buitenlandse afkomst is of een persoon met een handicap, die dubbel geteld wordt. De startbaankaart kan worden aangevraagd door de jongere of door de werkgever indien de jongere op het ogenblik van de indienstneming geen geldige startbaankaart bezit. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt alsmede de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid, de datum van de indienstneming en als de werkgever een kopie van de startbaanovereenkomst voorlegt. Bij de aanvraag van de startbaankaart legt de aanvrager op vraag van het bevoegde werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de volgende stukken voor:

De aanvraag van de startbaankaart moet ten laatste op de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau. Wanneer de aanvraag wordt ingediend buiten deze termijn, wordt de startbaanovereenkomst pas als geldig beschouwd vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de datum gelegen is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart. Indien de aanvraag per post wordt verstuurd, wordt de postdatum beschouwd als de datum van indiening. De geldigheidsdatum van de startbaankaart is:

De startbaankaart heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 12 maanden. De einddatum van de geldigheidsperiode dient evenwel gelegen te zijn vóór de dag waarop de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt. De kaart geldt voor elke aanwerving die tijdens de geldigheidsperiode ervan wordt verricht. Het werkloosheidsbureau kan de geldigheidsduur van de startbaankaart verlengen voor ten hoogste 12 maanden voor zover de jongere aantoont dat hij op de eerste dag van de periode van verlenging of bij de aanwerving opnieuw aan de vereiste voorwaarden voldoet. De einddatum van de geldigheidsperiode van de kaart moet evenwel gelegen zijn vóór de dag waarop de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt. Wanneer een nieuwe startbaankaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige startbaankaart, wordt een startbaankaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige startbaankaart. 2. Startbaanovereenkomst

De tewerkstelling van de jongere door dezelfde werkgever blijft beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk ten laatste op het moment waarop met de uitvoering van de overeenkomst wordt gestart. Elke arbeidsovereenkomst met een jongere die aangeworven wordt tijdens de geldigheidsduur van een startbaankaart krijgt automatisch de kwalificatie startbaanovereenkomst. Elke startbaanovereenkomst “type twee” moet minstens de volgende bepalingen bevatten:

De jongere kan met behoud van zijn loon gedurende de eerste 12 maanden van de uitvoering van zijn startbaanovereenkomst afwezig zijn om in te gaan op werkaanbiedingen. Indien hij tijdens deze periode een andere baan heeft gevonden kan hij tevens de startbaanovereenkomst beëindigen mits een opzeggingstermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening.

3. Loon

De werknemers die tewerkgesteld worden met een startbaanovereenkomst “type één” of “type twee” genieten een normale bezoldiging. Hiermee wordt het aanvangsloon bedoeld dat wordt toegekend aan een personeelslid met dezelfde beroepskwalificatie, zoals die blijkt uit het diploma of studiegetuigschrift. De deeltijds in dienst zijnde werknemer heeft recht op dit loon in verhouding met de duur van de gepresteerde arbeid in het kader van de startbaanovereenkomst. De startbaanovereenkomst “type één” kan bepalen dat gedurende hoogstens de eerste twaalf maanden van de uitvoering ervan, de werkgever een deel van het loon aan de opleiding van de nieuwe werknemer besteedt. In dat geval heeft de nieuwe werknemer gedurende deze periode recht op een loon dat gelijk is aan het hierboven bedoeld loon, verminderd met het deel besteed aan de opleiding, zonder dat dit meer mag zijn dan 10 % van dat loon en zonder dat het loon lager mag zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.
Top


E. VERMINDERING VAN DE PATRONALE SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN

5.2.506

De werkgever kan de doelgroepvermindering voor jonge werknemers genieten voor de jongere die:
Top

F. OVERGANGSMAATREGELEN

5.2.507

1. Startbaanovereenkomsten gesloten vóór 1-1-2004


Een nieuwe werknemer, aangeworven vóór 1-1-2004, wordt vanaf 1-1-2004 beschouwd als jongere, tewerkgesteld in het kader van een startbaanovereenkomst, op voorwaarde dat


De startbaanovereenkomst gesloten vóór 1-1-2004 eindigt:

2. Tewerkstellingen in het kader van het koninklijk besluit nr. 495

Het koninklijk besluit nr. 495 wordt met ingang van 1-1-2004 opgeheven. Dit besluit voerde een stelsel in van alternerende tewerkstelling en opleiding om de inschakeling van de jongeren tussen 18 en 25 jaar in het beroepsleven te bevorderen. De werkgevers die jongeren in het kader van dit stelsel in dienst namen, genoten een gedeeltelijke vrijstelling van de werkgeversbijdragen. Het voordeel in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 wordt geïntegreerd in de doelgroepvermindering voor jonge werknemers.

De overeenkomsten werk-opleiding voor niet leerplichtige jongeren tussen 18 en 25 jaar, gesloten vóór 1-1-2004, blijven tot hun einde onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 495.

De werkgever die vóór 1-1-2004 een jongere tussen 18 en 25 jaar heeft aangeworven waarvoor hij een bijdragevermindering genoot op grond van het koninklijk besluit nr. 495, kan sinds 1-1-2004 genieten van een doelgroepvermindering van 1.000 EUR gedurende de eerste zeven kwartalen van de overeenkomst werk-opleiding en van een vermindering van 400 EUR tot het einde van de overeenkomst indien de jongere niet voldoet aan de voorwaarden tot het bekomen van de doelgroepvermindering jonge werknemer en op voorwaarde dat de werkgever zijn tewerkstellingsverplichting in het kader van de startbaanovereenkomsten nakomt. Het voordeel houdt in elk geval op vanaf het kwartaal dat volgt op dat waarin de jongere 28 jaar wordt.
Top