4.2.1001
A. de doelgroepvermindering jonge werknemers – plus 18 tot min 30-jarigen B. de doelgroepvermindering jonge werknemers – laaggeschoolden en erg laaggeschoolden C. de doelgroepvermindering jonge werknemers – min 19-jarigen
4.2.1002
- het Rijk, met daarin begrepen de Rechterlijke macht, de Raad van State, het leger en de federale politie; - de Gemeenschappen en Gewesten; - de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die van de hiervoor genoemde overheden afhangen; - de werkgevers die onder het toepassingsgebied van de sociale maribel vallen. Voor groep B en groep C komen zowel de werkgevers uit de openbare als uit de private sector voor de doelgroepvermindering in aanmerking, ongeacht het aantal werknemers dat zij tewerkstellen. Om van de doelgroepvermindering 'jonge werknemers' te kunnen genieten moeten de werkgevers voldoen aan de startbaanverplichting.
Onder startbaanverplichting moet worden verstaan de verplichte aanwerving van ten minste 3 % jongeren uitgedrukt in VTE (voltijds equivalent) met een startbaan (vanaf 1 juli 2006 tellen alle jongeren mee die op de 1ste dag van het kwartaal nog geen 25 jaar zijn, ongeacht of ze aangeworven zijn met een startbaanovereenkomst of niet; de Koning heeft de grensleeftijd op advies van de betrokken gewestregeringen retroactief voor alle gewesten met één jaar verhoogd tot 26 jaar) ten opzichte van het 2de kwartaal van het voorgaande jaar. Deze verplichting geldt enkel voor ondernemingen met minstens 50 werknemers in dienst op 30 juni van het voorgaande jaar. De non-profit sector, de openbare sector en de onderwijssector hebben afwijkende percentages of zijn vrijgesteld van deze verplichting. Jongeren indienstgenomen in het kader van de bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren in de non-profit, tellen niet mee voor het bereiken van het contingent jongeren. De Federale Staat en de overheidsinstellingen die ervan afhangen zullen eveneens 3 % jongeren moeten tewerkstellen. Een overgangsmaatregel om tot dit percentage te komen is voorzien. De berekening zowel van het aantal startbaners als van het personeelsbestand voor het refertekwartaal gebeurt op basis van de gegevens van de Dmfa-aangifte.
In dit hoofdstuk zal voornamelijk de doelgroepvermindering toegelicht worden. Bijkomende inlichtingen over de startbaanverplichting of over de voorwaarden om vrijstelling te verkrijgen kan u bekomen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die de uiteindelijke bevoegdheid hebben na te gaan wie aan de verplichting voldoet en wie niet.
4.2.1003
Tot groep B behoren de laaggeschoolde of erg laaggeschoolde werkzoekende jongeren ( tot en met het kwartaal dat ze 26 jaar worden) tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst.
Onder startbaanovereenkomst moet worden verstaan elke overeenkomst zoals hieronder opgedeeld in verschillende types, gesloten met een jongere die op de datum van indiensttreding een geldige startbaankaart heeft (in het geval hij in de loop van het kalenderjaar 19 jaar wordt of ouder):
Zolang de werkgever de jongere ononderbroken verder in dienst houdt onder één van de drie vermelde types van overeenkomsten, blijft dit beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt.
Onder jongere in het kader van de startbaanovereenkomst moet worden verstaan eenieder die op het ogenblik van zijn indiensttreding:
4.2.1004
De vermindering voor laag- en erg laaggeschoolden loopt door tot het einde van het kwartaal waarin de werknemer 26 jaar wordt. Voor de startbaanverplichting tellen in algemene zin alle jongeren tot de leeftijd van 26 jaar mee.
4.2.1005
Voor tewerkstellingslijnen waarop vergoedingen wegens onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst (looncode 3) of wegens het ontslag met onmiddellijke ingang uit een statutaire betrekking (looncode 9), en de erdoor gedekte dagen worden aangegeven, mag geen VTE-breuk berekend worden.
Voor tewerkstellingslijnen waarop alleen dagen moeten worden aangegeven geldt:
VTE-breuk = Y1 : T
Voor tewerkstellingslijnen waarop dagen en uren moeten worden aangegeven geldt:
VTE-breuk = Z1 : (U x E)
Waarbij:
Y1 = Het aantal dagen aangegeven met de prestatiecodes 1, 3, 4, 5 en 20, verhoogd met:
U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon;
E = 13 indien de werknemer betaald wordt met een maandelijkse frequentie. Anders bedraagt E het aantal weken begrepen in het betrokken kwartaal;
T = E vermenigvuldigd met het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel.
De VTE-breuk wordt per tewerkstellingslijn rekenkundig afgerond tot op 2 cijfers na de komma waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. Het resultaat mag per werknemer ( = de som van de verschillende tewerkstellingslijnen) nooit groter zijn dan 1.
De jongeren met een startbaanovereenkomst en werknemers waarvoor geen dagen moeten worden aangegeven worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het personeelsbestand over het 2de kwartaal van het voorgaande jaar. Interimkrachten worden eveneens niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand (niet bij dat van de gebruiker noch voor het personeelsbestand van het interimkantoor zelf).
4.2.1006
Voor de volgende jongeren met een startbaanovereenkomst, tellen de VTE-breuken dubbel ook indien het gaat om jongeren die vóór 1 juli 2003 werden in dienst genomen (voor de indienstnemingen na 1 januari 2004 moet dit vermeld staan op de startbaankaart):
De berekening van de VTE-breuken is afhankelijk van het type van startbaanovereenkomst en het al dan niet voltijds tewerkgesteld zijn:
De VTE-breuk wordt per tewerkstellingslijn rekenkundig afgerond tot op 2 cijfers na de komma waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. Het totaal van de VTE-breuken van één werknemer ( = de som van al de tewerkstellingslijnen) mag nooit groter zijn dan 1.
Naast de jongeren met een startbaanovereenkomst worden ook alle werknemers (met uitzondering van de studenten voor wie alleen een solidariteitsbijdrage verschuldigd is) meegerekend tot en met het kwartaal waarin ze 26 jaar oud worden. De VTE breuk van deze werknemers wordt berekend met dezelfde formules als een jongere met een startbaanovereenkomst van het Type I.
Jongeren aangeworven in het kader van de subsidiëring tewerkstelling laaggeschoolde jongeren in de non-profit, komen niet in aanmerking om aan de verplichting te voldoen en mogen dus niet meegeteld worden. Zij worden in de Dmfa aangegeven in het veld 'maatregelen non-profit', code '8'.
4.2.1007
Een met de oplopende leeftijd degressieve vermindering wordt toegekend aan de werkgever voor elke jongere die hij in dienst neemt tot en met het kwartaal voorafgaand aan het kwartaal dat hij 30 jaar wordt. Het betreft dus zowel jongeren aangeworven met als zonder startbaanovereenkomst en ongeacht of zij verbonden zijn met een leerovereenkomst of een arbeidsovereenkomst.
In afwijking van de algemene doelgroepverminderingsformule, wordt deze bij de toepassing van de doelgroepvermindering jonge werknemers – plus 18 tot min 30-jarigen:
Pg = µ x 1/b x [(30 – leeftijd) x (G3 x 0,10)]
Pg wordt afgerond tot op de eurocent waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR. Onder ‘leeftijd’ wordt verstaan ‘de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het betrokken kwartaal’.
De component [(30 – leeftijd) x (G3 x 0,10)] wordt afgetopt tot G3 wanneer de vermenigvuldiging een resultaat geeft dat groter is dan G3 en geeft dan volgende formule:
Pg = µ x 1/b x G3
Groep B:
Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 7 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt).
Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke erg laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 15 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt).
Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke gehandicapte of van buitenlandse afkomst zijnde, laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 15 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt).
De vermindering voor erg laaggeschoolde jongeren en voor laaggeschoolde gehandicapte of van het buitenland afkomstige jongeren, kan enkel worden toegepast voor jongeren die bij de werkgever voor het eerst in dienst genomen worden vanaf het 2de kwartaal van 2006. Deze nieuwe regeling zal dus pas vanaf het 2de kwartaal 2008 effect hebben.
Als kwartaal van indienstneming wordt het kwartaal in aanmerking genomen waarin de jongere voor de allereerste keer in dienst komt van de betrokken werkgever. Indien de jongere echter reeds in dienst was vóór het eerste kwartaal van het kalenderjaar waarin hij 19 jaar oud wordt, wordt het eerste kwartaal van het jaar waarin hij 19 jaar wordt beschouwd als het kwartaal van indienstneming. Dat wil zeggen dat een werkgever de vermindering voor erg laaggeschoolden, laaggeschoolde gehandicapten en laaggeschoolde allochtonen ook kan toepassen voor jongeren die reeds vóór 1 april 2006 bij hem tewerkgesteld waren zolang deze jongeren in 2006 nog geen 19 worden.
Groep A + B
In afwijking van de algemene doelgroepverminderingsformule, wordt deze bij de gecombineerde toepassing van de doelgroepvermindering jonge werknemers – plus 18 tot min 30-jarigen en de doelgroepvermindering jonge werknemers – laaggeschoolden en erg laaggeschoolden:
Pg = µ x 1/b x {(G1 of G2) + [(30 – leeftijd) x (G3 x 0,10)]}
Pg = µ x 1/b x {(G1 of G2) + G3}
Groep C Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke jongere die hij in dienst neemt tot en met het 4de kwartaal van het kalenderjaar dat zijn werknemer 18 wordt. Het betreft dus zowel jongeren aangeworven met als zonder startbaanovereenkomst en ongeacht of zij verbonden zijn met een leerovereenkomst of een arbeidsovereenkomst.
4.2.1008
Buiten het aanduiden van de overeenkomstige doelgroepvermindering(en), zijn er geen specifieke administratieve plichtplegingen verbonden aan de doelgroepvermindering jonge werknemers – plus 18 tot min 30-jarigen en de doelgroepvermindering jonge werknemers – min 19-jarigen. Groep B:
Om te kunnen genieten van de doelgroepvermindering jonge werknemers – laaggeschoolden en erg laaggeschoolden, moet de jongere worden tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst. Indien de jongere in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding 19 jaar wordt of ouder, moet hij op het moment van de indienstneming een geldige startbaankaart kunnen voorleggen die hij kan bekomen op het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van zijn woonplaats om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voldoet.
Op de startbaankaart wordt vermeld of de jongere in kwestie dubbel wordt geteld bij de berekening van de startbaanverplichting (zie de berekening van het aantal jongeren met een startbaanovereenkomst in het lopende kwartaal). Daarnaast attesteert de startbaankaart ook of het een laaggeschoolde of erg laaggeschoolde jongere betreft.
De aanvraag van de startbaankaart wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
Indien de werkzoekende op het moment van zijn indienstneming niet in het bezit is van een geldige startbaankaart, dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever uitgaat, zal enkel geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard voor zover op die aanvraag de namen van de werkgever en van de jongere vermeld zijn, alsook het domicilie van de jongere, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indienstneming.
De aanvraag tot het verkrijgen van een startbaankaart moet ten laatste op de 30ste dag volgend op de dag van de indienstneming gebeuren bij het bevoegde werkloosheidsbureau. Elke aanvraag die later toekomt heeft tot gevolg dat de startbaanovereenkomst pas geldig wordt beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart gebeurde.
De startbaankaart draagt als geldigheidsdatum 1 januari van het jaar waarin de jongere 19 wordt indien hij reeds in dienst is genomen vóór deze datum, anders de datum van indienstneming en indien hij nog niet in dienst is genomen de datum waarop de aanvraag wordt ingediend.
De startbaankaart heeft een maximale geldigheidsduur van 12 maanden (alleszins beperkt tot de dag vóór zijn 26ste verjaardag) en mag gebruikt worden voor elke indienstneming die tijdens de geldigheidsperiode wordt verricht. De geldigheidsduur kan met een zelfde periode verlengd worden als de jongere nog aan de vereiste voorwaarden voldoet.
De werkgever van de jongere, die in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding de leeftijd van 19 jaar niet bereikt en dus geen startbaankaart moet voorleggen, moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de jongere 19 wordt, een startbaankaart aanvragen bij het bevoegde werkloosheidsbureau als hij de startbaanovereenkomst wil laten doorlopen (o.a. in het kader van de doelgroepvermindering laaggeschoolde jongere). Bij zijn aanvraag vermeldt hij:
Elke aanvraag die later toekomt heeft tot gevolg dat de startbaanovereenkomst pas opnieuw als geldig wordt beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart gebeurde.
De startbaanovereenkomst wordt automatische verlengd wanneer hij na afloop van zijn overeenkomst bij dezelfde werkgever aansluitend in dienst treedt. Een nieuwe aanvraag voor een startbaankaart is in dat geval niet nodig.
Om echter bij een onderbroken tewerkstelling bij dezelfde werkgever recht te geven op de doelgroepvermindering jonge laaggeschoolde werknemer, moet hij opnieuw een startbaankaart aanvragen die attesteert dat hij nog aan de voorwaarden voldoet.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de startbaankaarten over aan de RSZ.
De startbaanovereenkomst moet niet meer gebeuren volgens een vastgelegd model. Arbeidsovereenkomsten met jongeren, gesloten tijdens de geldigheidsduur van een startbaankaart, krijgen immers 'automatisch' de kwalificatie startbaanovereenkomst. Wel wordt voor het type II startbaanovereenkomst enkele bijkomende gegevens gevraagd betreffende de 'opleiding' die met dit type gepaard gaat.
Via de multifunctionele aangifte deelt de werkgever, in het veld 'Maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid' mee met welk type van startbaanovereenkomst de jongere wordt aangeworven en tot welke categorie hij behoort. In het geval een overeenkomst betreft specifiek voor leerlingen of stagiairs, moet de werkgever eveneens aanduiden over welk 'type van leerling' het gaat bij de parameters van de tewerkstellingslijn. In het veld 'begindatum doelgroepvermindering' moet u de datum van allereerste indiensttreding invullen (er wordt voor de berekening van het aantal kwartalen G1 automatisch GEEN rekening gehouden met de kwartalen vóór 1 januari van het jaar dat de werknemer 19 wordt). Deze aanduidingen zijn verplicht en kunnen een impact hebben op de berekening van de startbaanverplichting, het recht op de doelgroepvermindering en/of de berekening van de verschuldigde bijdragen.
Daarnaast duidt de werkgever de overeenkomstige doelgroepvermindering aan.