Gedeeltelijke compensatie werkgeverskost jaarlijkse vakantie voor de gelijkstelling tijdelijke werkloosheid overmacht corona - coronamaatregel

(20/04/2021)

Een gedeeltelijke compensatie is voorzien voor de kost voortvloeiend uit de gelijkstelling van de dagen tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor wat het vakantiegeld voor de bedienden betreft (wet van 20 december 2020 - BS van 30 december 2020).

De berekening wordt uitgevoerd door de RSZ en het bedrag van de compensatie zal ter kennisgeving in de loop van het 2de kwartaal worden overgemaakt aan de werkgever. Dit wordt in mindering gebracht van de bedragen verschuldigd voor het 2de kwartaal 2021. Het ongebruikte krediet wordt overgedragen naar de volgende kwartalen van 2021 voor zover er bijdragen verschuldigd zijn.

De berekening gebeurt door:

  • per werkgever een 'compensatiepercentage' te bepalen op basis van een 'gemiddelde prestatiebreuk' µ(corona) die wordt bekomen door de dagen tijdelijke werkloosheid overmacht corona (prestatiecode 77) van elke individuele bediende ten opzichte van zijn totale prestatie gedurende het 2de kwartaal 2020 vast te stellen en vervolgens de som ervan te proratiseren:
    • < 0,10 geeft als compensatiepercentage 0%,
    • >= 0,10 en < 0,20 = 33%,
    • >= 0,20 en < 0,50 = 66% en
    • >= 0,50 = 100%;
  • vervolgens dit 'compensatiepercentage' toe te passen op de som van de 'prestatiebreuken' van de individuele bediendes van de werkgever voor het 2de, 3de en 4de kwartaal 2020 om zo het 'gewicht' van de werkgever te bepalen
  • op basis hiervan het aandeel van de werkgever in het totale 'gewicht ' van alle werkgevers vast te stellen
  • en uiteindelijk het compensatiebedrag te berekenen op basis van het 'relatieve gewicht' van de werkgever voor de verdeling van de voorziene enveloppe.

top

120 extra vrijwillige overuren 2de kwartaal 2021 - coronamaatregel

(13/04/2021)

De wet van 20 december 2020 (BS van 30 december 2020) verhoogde voor de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 en 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 het jaarlijks maximum van 100 vrijwillige overuren naar 220 vrijwillige overuren voor de ‘cruciale sectoren’. De verhoging van het jaarlijks maximum met 120 extra overuren geldt eveneens voor het 2de kwartaal 2021 (wet van 2 april 2021 - BS van 13 april 2021).

Voor de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 worden de extra vrijwillige overuren die reeds in het 1ste kwartaal 2021 gepresteerd werden, wel in mindering gebracht van het bijkomend contingent van 120 extra overuren.

Dit wil zeggen dat in de loop van het 1ste kwartaal 2021 en het 2de kwartaal 2021, 120 extra vrijwillige overuren kunnen gepresteerd worden, ongeacht of er reeds vrijwillige overuren van het contingent van 100 gebruikt werden. Meer informatie over vrijwillige overuren en deze extra 120 overuren vindt u terug op de website van de FOD WASO.

Voor de sociale zekerheid worden deze 120 extra uren vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen en moeten zij dus ook niet worden aangegeven in de DmfA of DmfAPPL (nog niet gepubliceerd). Zij worden eveneens fiscaal vrijgesteld.

Onder  ‘cruciale sectoren wordt verstaan, de handelszaken, private en publieke bedrijven en diensten die personeel tewerkstellen en die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking als bedoeld in het raam van de door de minister van Binnenlandse Zaken genomen dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, alsook de producenten, leveranciers, aannemers en onderaannemers van goederen, werken en diensten die essentieel zijn voor de activiteit van deze ondernemingen en deze diensten.

top

Uitbreiding studentenarbeid 2de kwartaal 2021 in sommige sectoren - coronamaatregel

(13/04/2021)

De wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie werd gepubliceerd (BS van 13 april 2021). Daarin staat de maatregel opgenomen die het mogelijk maakt jobstudenten in te zetten om de door de coronacrisis verhoogde werkdruk in bepaalde sectoren tegen te gaan, door de uren die een student presteert in de zorgsector of in het onderwijs, ook tijdens het 2de kwartaal 2021 niet mee te laten tellen voor het contingent van 475 uren voor 2021. De omschrijving van de zorgsector werd wat de openbare zorginstellingen betreft uitgebreid als volgt:

instellingen en diensten met de NACE-codes:

  • 87201 - Instellingen met huisvesting voor minderjarigen met een mentale handicap
  • 87202 - Instellingen met huisvesting voor volwassenen met een mentale handicap
  • 87203 - Instellingen met huisvesting voor personen met psychiatrische problemen
  • 87204 - Instellingen met huisvesting voor drugs- en alcoholverslaafden
  • 87205 - Activiteiten van beschut wonen voor personen met psychiatrische problemen
  • 87209 - Andere instellingen met huisvesting voor personen met een mentale handicap of psychiatrische problemen en voor drugs- en alcoholverslaafden
  • 87301 - rusthuizen voor ouderen
  • 87302 - Serviceflats voor ouderen
  • 87303 - Instellingen met huisvesting voor minderjarigen met een lichamelijke handicap
  • 87304 - Instellingen met huisvesting voor volwassenen met een lichamelijke handicap
  • 87309 - Instellingen met huisvesting voor ouderen en voor personen met een lichamelijke handicap
  • 87902 - Algemeen welzijnswerk met huisvesting
  • 87909 - Overige maatschappelijke dienstverlening met huisvesting
  • 88101 - Activiteiten van gezins- en bejaardenzorg aan huis, m.u.v. (thuis)verpleging
  • 88102 - Activiteiten van dag- en dienstencentra voor ouderen
  • 88103 - Activiteiten van dagcentra voor minderjarigen met een lichamelijke handicap, met inbegrip van ambulante hulpverlening
  • 88104 - Activiteiten van dagcentra voor volwassenen met een lichamelijke handicap, met inbegrip van ambulante hulpverlening
  • 88109 - Overige maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting voor ouderen en lichamelijk gehandicapten
  • 88911 - Kinderdagverblijven en crèches
  • 88912 - Kinderopvang door onthaalmoeders
  • 88919 - Overige kinderopvang
  • 88991 - Activiteiten van dagcentra voor minderjarigen met een mentale handicap, met inbegrip van ambulante hulpverlening
  • 88992 - Activiteiten van dagcentra voor volwassenen met een mentale handicap, met inbegrip van ambulante hulpverlening
  • 88993 - Ambulante hulpverlening aan drugs- en alcoholverslaafden
  • 88994 - Integrale jeugdhulp zonder huisvesting
  • 88996 - Algemeen welzijnswerk zonder huisvesting
  • 88999 - Andere vormen van maatschappelijke dienstverlening zonder huisvesting.

Daarnaast werden de private en openbare instellingen of diensten die belast zijn met de exploitatie van COVID-19 vaccinatiecentra en dit voor alle activiteiten die verband houden met de exploitatie van een vaccinatiecentrum, (retroactief) eveneens toegevoegd.

Praktisch wil dit zeggen dat voor de student die met een studentenovereenkomst kan worden tewerkgesteld, ook indien zijn contingent reeds opgebruikt is omdat zijn uren al volledig gereserveerd zouden  zijn, toch de solidariteitsbijdrage kan toegepast worden voor prestaties in deze sectoren. De gepresteerde uren in deze sectoren worden dus volledig geneutraliseerd.

De gewone aangifteregels blijven gelden, dus een Dimona 'STU' voor de tewerkstelling aanvangt en achteraf een aangifte DmfA van de gepresteerde uren. Een Dimona met aanduiding van uren blijft dus verplicht, maar 'reserveren' om zeker te zijn dat de student nog voldoende uren beschikbaar heeft die in aanmerking komen voor de solidariteitsbijdrage is dus ook niet nodig voor het 2de kwartaal 2021, aangezien alle tijdens dit kwartaal in de genoemde sectoren gepresteerde uren in aanmerking komen voor de solidariteitsbijdrage.

De onlineteller waarbij het resterende aantal uren in het contingent kan worden geconsulteerd, is aangepast. De onlineteller blijft dus ook ongewijzigd voor een tewerkstelling gedurende het 2de kwartaal 2021 in deze sectoren. Een tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker die tot een van deze sectoren behoort, wordt gelijkgesteld met een tewerkstelling in deze sector. De gepresteerde uren zullen niet mee opgenomen worden in de teller om te bepalen of het maximum van 475 uren bereikt werd.

top

Telewerk – mogelijkheid tot aangifte - coronamaatregel

(07/04/2021)

De ondernemingen en instellingen die er niet in slaagden hun telewerk-aangifte tijdig uit te voeren, zijn verplicht  dit toch nog te doen ook na 6 april 2021. De sociale inspectiediensten zijn ondertussen gestart met controles op het terrein. Werkgevers die hun aangifte niet verrichten, zullen zich hiervoor moeten verantwoorden.

De applicatie 'Corona Telewerkaangifte' op de portaalsite blijft toegankelijk tot 18 april voor de aangifte van de maand april, zowel voor een originele aangifte als voor eventuele wijzigingen.

top

Bijdragevermindering, toegekend aan de werkgevers van de reissector - coronamaatregel

(02/04/2021)

De Regering heeft beslist een bijdragevermindering toe te kennen aan de werkgevers die deel uitmaken van de reissector en die onder de wet van 21 november 2017 vallen, met name zij die verzekerd zijn tegen insolventie in het kader van hun activiteiten als reisorganisatie. Het doel bestaat erin deze sector te ondersteunen, die zwaar getroffen werd door de beperkende maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus.

Deze bijdragevermindering beoogt het 2de kwartaal 2020, het 4de kwartaal 2020, het 1ste kwartaal 2021 en het 2de kwartaal 2021.

Een ontwerp van amendement tot regeling van deze kwestie werd in de Commissie Sociale Zaken goedgekeurd.

Het amendement tot regeling van deze kwestie is in het Parlement gestemd en zal binnenkort gepubliceerd worden.

 

I. Toepassingsgebied en voorwaarden van de maatregel

1. Toepassingsgebied van de maatregel

Deze maatregel is van toepassing op de werkgevers

  • van de reissector (privé-sector)
  • die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten;
  • die actief waren vóór 1 april 2021 en die het op die datum nog altijd zijn.

Concreet gaat het om de werkgevers

  • die de hoofdactiviteit 'reisbureau' of 'reisorganisator' uitoefenen en die voor die hoofdactiviteit onder één van de volgende twee Nace-codes vallen:
    • Nace-code 79110: reisbureaus
    • Nace-code 79120: reisorganisatoren
  • en die gedurende de periode van het 2de kwartaal 2020 tot en met het laatste kwartaal waarop de vermindering betrekking heeft, namelijk het 2de kwartaal 2021, tegen insolventie verzekerd zijn zoals voorzien in de wet van 21 november 2017.
    De werkgever mag daarbij in België of in een ander Europees land verzekerd zijn.
     

2. Bijkomende voorwaarden

Om voor de bijdragevermindering in aanmerking te komen, moet de werkgever aan de volgende bijkomende voorwaarden voldoen:

  1. zich ertoe verbinden om alle in dienst zijnde werknemers ononderbroken tussen 1 april 2021 en 30 juni 2021 in dienst te houden, behalve als de werknemer zelf ontslag neemt of wegens dringende redenen wordt ontslagen.
    In ieder geval mag de som van de tewerkstelling van alle werknemers bij de werkgever tijdens het 2de kwartaal 2021 niet kleiner zijn dan die van het 1ste kwartaal 2021 ; deze tewerkstelling wordt berekend op basis van µ(glob);
  2. een concreet en individueel opleidingsaanbod aan de werknemers aanbieden dat overeenstemt met minstens 20% van hun contractuele arbeidsduur in het 1ste en 2de kwartaal 2021. Dit slaat op alle werknemers, of ze nu in tijdelijke werkloosheid zijn of niet.  Deze opleidingen moeten uiterlijk op 31 december 2021 gevolgd zijn ;
  3. zich in 2021 van het volgende onthouden:
  • de uitkering van dividenden aan de aandeelhouders;
  • de uitkering van bonussen aan de leden van de Raad van Bestuur en aan de directie  van de onderneming;
  • de inkoop van eigen aandelen;
  1. de ondernemingsraad of bij ontstentenis hieraan, de vakbondsafvaardiging, of bij ontstentenis hieraan, de werknemers, informeren over de toepassing van de maatregel in de onderneming en de voorwaarden waaraan de werkgever moet voldoen, met name op het vlak van het opleidingsaanbod, en er overleg over plegen. 

De RSZ zal a posteriori controles op het naleven van de voorwaarden uitvoeren.

Om de bijdragevermindering te kunnen genieten, moet de werkgever uiterlijk op 30 juni 2021 een aanvraag aan de RSZ richten via een beveiligde online toepassing.

 

II. Bijdragvermindering

1. Bijdragevermindering voor het 2de kwartaal 2020, het 4de kwartaal 2020 en het 1ste kwartaal 2021

Deze bijdragevermindering wordt toegekend aan de werkgevers 

  • die vallen in het toepassingsgebied van de maatregel
  • en die een aanvraag via de online toepassing ingediend hebben
  • onder voorbehoud van een controle van de voorwaarden door de RSZ

Het bedrag van de vermindering stemt overeen met de som van:

  • de netto werkgeversbijdrage voor het 2de kwartaal 2020
  • de netto werkgeversbijdrage voor het 4de kwartaal 2020
  • de netto werkgeversbijdrage voor het 1ste kwartaal 2021.

Onder netto werkgeversbijdragen wordt begrepen, de patronale basisbijdragen min de structurele vermindering min een doelgroepvermindering.

Deze bijdragevermindering wordt door de RSZ in twee stappen berekend en toegekend:

 

Stap 1

Berekening van het bedrag van de bijdragevermindering betreffende het 2de en 4de kwartaal 2020 op basis van de DmfA van deze kwartalen.

Het bedrag van deze bijdragevermindering wordt eerst gebruikt om de bedragen betreffende het 1ste kwartaal 2021, die aan de RSZ verschuldigd zijn, te vereffenen, en vervolgens eventueel de andere verschuldigde bedragen, met toerekening op de oudste schuld, overeenkomstig artikel 25 van de voornoemde wet van 27 juni 1969.

Indien er na de toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Als de werkgever dat niet doet, zal het saldo toegerekend worden op de eerste bedragen die komen te vervallen en die aan de RSZ verschuldigd zijn.

 

Stap 2

Berekening van het bedrag van de bijdragevermindering over het 1ste kwartaal 2021 op basis van de DmfA van dat kwartaal.

Het bedrag van deze bijdragevermindering wordt eerst gebruikt om de bedragen over het 2de kwartaal 2021, die aan de RSZ verschuldigd zijn, te vereffenen, en vervolgens eventueel de andere verschuldigde bedragen, met toerekening op de oudste schuld, overeenkomstig artikel 25 van de voornoemde wet van 27 juni 1969.

Indien er na de toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Als de werkgever dat niet doet, zal het saldo toegerekend worden op de eerste bedragen die komen te vervallen en die aan de RSZ verschuldigd zijn.

 

2. Bijdragevermindering voor het 2de kwartaal 2021

Deze bijdragevermindering wordt toegekend aan de werkgevers 

  • die vallen in het toepassingsgebied van de maatregel
  • en die een aanvraag via de online toepassing ingediend hebben
  • onder voorbehoud van een controle van de voorwaarden door de RSZ

De bijdagevermindering voor het 2de kwartaal 2021 is een doelgroepvermindering die overeenstemt met het saldo van de patronale basisbijdragen in de DmfA van het 2de kwartaal 2021 voor alle werknemers van de werkgever.

Praktisch in de DmfA van het 2de kwartaal 2021:

  • nieuwe verminderingscode: 3702 ;
  • doelgroepvermindering 'G7' ;
  • enkel toegelaten op basis van de lijst van de werkgevers die hun aanvraag bij de RSZ indienden en die een OK van de RSZ kregen;
  • De vermindering wordt aanvaard onder voorbehoud van de controles a posteriori ;
  • Indien de werkgever niet voorkomt in de lijst met werkgevers met OK en de vermindering wordt toch toegepast, dan wordt een anomalie gesignaleerd (‘niet voorzien voor deze werkgever’) met hercontrole na zes maanden (cfr systeem Ecaro).

 

III. Procedure

Stap 1: Aanvraag van de vermindering bij de RSZ via een beveiligde online toepassing en verzending van het ontvangstbewijs van de aanvraag

De werkgever die de bijdragevermindering wil genieten, kan deze via een beveiligde online toepassing aanvragen.

De werkgever moet zich er formeel toe verbinden om alle in dienst zijnde werknemers ononderbroken tussen 1 april 2021 en 30 juni 2021 in dienst te houden, behalve als de werknemer zelf ontslag neemt of wegens dringende redenen wordt ontslagen.

Hij dient ook te bevestigen dat hij de andere voorwaarden naleeft.

 

De RSZ zal op grond van zijn aanvraag nagaan of de voorwaarden inzake de Nace-code en de verzekerbaarheid werden nageleefd.

  • Als de werkgever voldoet aan de voorwaarde inzake de NACE-code en hij opgenomen is in de officiële lijst inzake verzekerbaarheid van de FOD Economie, dan krijgt hij voor zijn aanvraag een ontvangstbevestiging en een samenvatting, alsook de mededeling dat hij voor de maatregel in aanmerking komt, onder voorbehoud van controles a posteriori.
  • Als de werkgever voldoet aan de voorwaarde inzake de NACE-code maar hij niet opgenomen is in de officiële lijst inzake verzekerbaarheid van de FOD Economie, zal hij verzocht worden om zijn bewijs van verzekerbaarheid  in de toepassing te downloaden. De werkgever krijgt een ontvangstbewijs met een samenvatting van zijn aanvraag.
    De RSZ zal nadien het bewijs van verzekerbaarheid in een Europees land, dat de werkgever gedownload heeft, nakijken.
    • Als de werkgever voldoet aan de voorwaarden inzake verzekerbaarheid, krijgt hij de bevestiging dat hij voor de maatregel in aanmerking komt, onder voorbehoud van controles a posteriori.
    • Als de werkgever niet voldoet aan de voorwaarden inzake verzekerbaarheid, wordt hij op de hoogte gebracht dat hij de maatregel niet kan genieten. 
  • Als de werkgever niet voldoet aan de voorwaarden inzake de NACE-code, ontvangt hij voor zijn aanvraag een ontvangstbevestiging en een samenvatting, alsook de mededeling dat hij niet voor de maatregel in aanmerking komt.

Als een werkgever volgens de elementen waarover de RSZ beschikt niet voor de maatregel in aanmerking komt, maar als hij van mening is dat hij deze toch zou kunnen genieten, kan hij de RSZ hiervan informeren door een online elektronisch formulier in te vullen. 

De werkgevers die gekozen hebben om hun documenten enkel via hun e-box (opt in) te ontvangen, zullen deze informatie enkel via elektronische weg in hun e-box ontvangen. De andere werkgevers ontvangen deze informatie ook op papier.

 

Stap 2: Berekening van het bedrag van de bijdragevermindering betreffende het 2de en 4de kwartaal 2020 en toerekening op de rekeningen

Voor alle werkgevers die een aanvraag vóór 16 april 2021 ingediend hebben en die de bevestiging kregen dat ze voor de maatregel in aanmerking komen, zal de RSZ in de 2de helft van april het bedrag van de bijdragevermindering voor het 2de en het 4de kwartaal 2020 berekenen, zoals uitgelegd wordt in punt II.

De werkgever wordt via een brief op de hoogte gebracht van het bedrag waarop hij recht heeft.

De werkgevers die gekozen hebben om hun documenten enkel via hun e-box (opt in) te ontvangen, zullen deze informatie enkel via elektronische weg in hun e-box ontvangen. De andere werkgevers ontvangen deze informatie ook op papier.

Het bedrag zal worden toegerekend op de RSZ-rekeningen in de 2de helft van april 2021 en eerst toegerekend op de bestaande schuld in het 1ste kwartaal 2021 en vervolgens eventueel op de andere schulden aan de RSZ.  Het eventueel overblijvende saldo kan aan de werkgever op zijn verzoek gestort worden.

 

Voor de werkgevers die hun aanvraag na 15 april 2021 ingediend hebben, zal de berekening van de vermindering voor het 2de en 4de kwartaal 2020 op hetzelfde ogenblik als de berekening in stap 3 uitgevoerd worden.

 

Stap 3: Berekening van het bedrag van de bijdragevermindering voor het 1ste kwartaal 2021 en toerekening in de rekeningen.

Voor alle werkgevers die een aanvraag vóór 16 april 2021 ingediend hebben en die de bevestiging kregen dat ze voor de maatregel in aanmerking komen, zal de RSZ het bedrag van de bijdragevermindering voor het 1ste kwartaal 2021 berekenen, zoals uitgelegd wordt in punt II. De berekening gebeurt begin juli.

Voor alle werkgevers die een aanvraag tussen 16 april 2021 en 30 juni 2021 ingediend hebben en die de bevestiging kregen dat ze voor de maatregel in aanmerking komen, zal de RSZ het bedrag van de bijdragevermindering voor het 2de en het 4de kwartaal 2020 en het 1ste kwartaal 2021  berekenen, zoals uitgelegd wordt in punt II. De berekening gebeurt begin juli.

De werkgever wordt via een brief op de hoogte gebracht van het bedrag waarop hij recht heeft.

De werkgevers die gekozen hebben om hun documenten enkel via hun e-box (opt in) te ontvangen, zullen deze informatie enkel via elektronische weg in hun e-box ontvangen. De andere werkgevers ontvangen deze informatie ook op papier.

Het bedrag zal worden geïmputeerd op de RSZ-rekeningen in de 2de helft van juli 2021 en eerst toegerekend op de bestaande schuld in het 2de kwartaal 2021 en vervolgens eventueel op de andere schulden aan de RSZ.  Het eventueel overblijvende saldo kan aan de werkgever op zijn verzoek gestort worden.

 

Stap 4: Aanvraag van de doelgroepvermindering in de DmfA van het 2de kwartaal 2021

Alle werkgevers die een aanvraag ingediend hebben en die de bevestiging kregen dat ze voor de maatregel in aanmerking komen, kunnen de doelgroepvermindering in de Dmfa van het 2de kwartaal 2021 aanvragen.

Deze vermindering zal toegekend worden onder voorbehoud van de controles a posteriori door de RSZ.

 

Stap 5: Controles a posteriori

De RSZ zal a posteriori bepaalde controles uitvoeren wat betreft de voorwaarden die vervuld moeten worden om het voordeel van de maatregel te genieten.

Als uit de a posteriori controles blijkt dat de werkgever de toekenningsvoorwaarden niet nageleefd heeft, zal de vermindering voor het 2de en 4de kwartaal 2020 en het 1ste kwartaal 2021 in de werkgeversrekeningen geannuleerd worden en zal de vermindering voor het 2de kwartaal 2021 in de DmfA geannuleerd worden.

top

Opleidingsproject verpleegkundige 2021-2022 (project 'Vorming 600')

(31/03/2021)

Deze mededeling is enkel van toepassing op de werkgevers die tot de huidige of vroegere federale gezondheidssector behoren.

Het project ‘Vorming 600’ biedt reeds verschillende jaren de mogelijkheid aan werknemers uit de federale gezondheidssectoren om, met behoud van loon, een opleiding te volgen tot bachelor in de verpleegkunde (A1) of gegradueerde verpleegkundige (A2).

Het project ‘Vorming 600’ biedt opnieuw de kans aan werknemers uit deze sector om, gedurende maximum 3 schooljaren (HBO5) of maximum 4 schooljaren (Bachelor) een opleiding te volgen vanaf september 2021.

Toelatingsvoorwaarden

Om deze opleiding te kunnen volgen dient de werknemer op 31 augustus 2021 aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • Tewerkgesteld zijn in een openbare instelling behorend tot de huidige of vroegere federale gezondheidssectoren: ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, diensten voor thuisverpleging, rustoorden voor bejaarden en rust- en verzorgingstehuizen, dagverzorgingscentra, wijkgezondheidscentra en revalidatiecentra;
  • Tenminste halftijds tewerkgesteld zijn als statutair, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur of met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur met de garantie van de werkgever dat de werknemer, eenmaal geselecteerd voor de opleiding, in dienst gehouden wordt voor de duur van de opleiding (schriftelijk bewijs noodzakelijk bij kandidatuurstelling);
  • Een minimumervaring van 3 jaar hebben in één of meerdere instellingen behorend tot de federale gezondheidssector (privé of openbaar);
  • Bij de aanvang van de opleiding nog een voorziene loopbaan hebben van 5 jaar per studiejaar;
  • Niet in het bezit zijn van een brevet, een graduaat of een diploma van bachelor in de verpleegkunde;
  • Voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het onderwijs dat de werknemer wenst te volgen;
  • Zich ertoe verbinden na het slagen in de opleiding minstens 5 jaar te zullen werken als verpleegkundige (voltijds of deeltijds) in de sector.

Procedure

Wij verzoeken u om de werknemers die in aanmerking komen, op de hoogte te brengen van de verlenging van het project in het schooljaar 2021-2022.

De werknemers die geïnteresseerd zijn in dit aanbod en die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, kunnen zich kandidaat stellen door het inschrijvingsformulier, het werkgeversattest en het schoolattest volledig ingevuld, bij voorkeur per e-mail, te bezorgen aan de RSZ tegen 10 mei 2021 op het adres maribel@rsz.fgov.be

 

Bijkomende voorwaarde

Van kandidaten die reeds een deelcertificaat van de opleiding tot verpleegkundige hebben behaald en die in principe een opleiding van minder dan 3 jaar of 4 zouden kunnen volgen, zal niettemin gevraagd worden om de volledige opleiding van 3 of 4 jaar te volgen indien het behalen van het certificaat dateert van meer dan 5 jaar geleden en m.a.w. behaald werd vóór 1 september 2016. Als die werknemers toch geselecteerd worden, moeten zij zich voor de opleidingsperiode waarop het behaalde certificaat betrekking heeft als vrij student inschrijven en bewijzen (resultaat van de examens en advies van school) dat zij het niveau hebben om de studies verder te zetten.

Werknemers uit de betrokken sector krijgen de kans om gedurende maximum 3 schooljaren (HBO5) en maximum 4 schooljaren (Bachelor) een opleiding te volgen. De selectie van de kandidaten zal gebeuren door het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector bij de RSZ op basis van objectieve criteria. Het resultaat van de selectie zal schriftelijk worden medegedeeld aan de kandidaten evenals aan hun werkgever tegen begin juli..

De toelating tot de opleiding is pas definitief nadat de werknemer het “reglement werknemer”, getekend voor akkoord,  heeft teruggestuurd en heeft deelgenomen aan één van de informatiesessies die zullen georganiseerd worden. Dit reglement zal hem overhandigd worden in de informatiesessie en zal de bepalingen van het protocolraamakkoord van 28 oktober 2009 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale gezondheidssector hernemen. De werkgever van zijn kant zal het “reglement werkgever”, dat hem zal opgestuurd worden samen met de brief tot kennisgeving van de beslissing tot selectie, getekend voor akkoord, moeten terugsturen.

De werknemer die tot de opleiding is toegelaten, dient vervangen te worden door een andere werknemer. Tot financiering van de tewerkstelling van deze vervanger zal de werkgever van het Fonds Sociale Maribel van de Overheidssector een tegemoetkoming ontvangen ten bedrage van maximaal 40.000,00 euro op jaarbasis per voltijds tewerkgestelde werknemer.

Voor werknemers die reeds eerder dan september 2020 in het project 600 gestart zijn, blijft de tussenkomst van 35.065,96 euro ongewijzigd.

top

Telewerk – Toelichting bij de verplichte aangifte met betrekking tot telewerk - coronamaatregel

(28/03/2021)

De verplichtingen opgelegd door het MB van 28 oktober 2020

Het telethuiswerk is verplicht bij alle ondernemingen, verenigingen en diensten voor alle personeelsleden, tenzij dit onmogelijk is omwille van de aard van de functie of de continuïteit van de bedrijfsvoering, de activiteiten of de dienstverlening.

Indien telethuiswerk niet kan worden toegepast, nemen de ondernemingen, verenigingen en diensten de nodige maatregelen om de maximale naleving van de regels van social distancing te garanderen, in het bijzonder het behoud van een afstand van 1,5 meter tussen elke persoon en het verplicht dragen van het masker. Ze zijn verplicht de personeelsleden die niet kunnen telethuiswerken een attest of elk ander bewijsstuk te bezorgen dat de noodzaak van hun aanwezigheid op de werkplaats bevestigt.

De sociale inspectiediensten zijn bevoegd voor het toezicht van het naleven van de verplichtingen inzake het telethuiswerk. Het niet naleven van deze verplichting kan gesanctioneerd worden met ofwel een strafrechtelijke boete ofwel een administratieve geldboete.

 

Maandelijkse aangifte met betrekking tot het telewerk

De regering heeft tevens beslist dat het toezicht op de naleving moet versterkt worden. Daarom moeten alle werkgevers vanaf de maand april voor elke maand een beperkt aantal gegevens aan de RSZ meedelen.

  • Het aantal personen werkzaam bij de onderneming.  Wanneer de onderneming over meerdere vestigingseenheden beschikt, dient dit per vestigingseenheid vermeld.
  • Het aantal personen werkzaam bij de onderneming die een functie uitoefenen die niet telewerkbaar is. Wanneer de onderneming over meerdere vestigingseenheden beschikt, dient dit per vestigingseenheid vermeld.

De sociale inspectiediensten zullen deze data als referentiepunt hanteren wanneer zij het naleven van het telewerk controleren. Wie een telewerkbare functie vervult, maar toch in het bedrijf aanwezig is, zal zijn of haar aanwezigheid moeten kunnen verantwoorden.

De aangifte gebeurt via de applicatie 'Corona Telewerkaangifte' op de portaalsite.

 

Wie doet de aangifte?

De verplichting geldt voor alle werkgevers, behalve die ondernemingen die verplicht volledig gesloten zijn.

Degene die de aangifte wil verrichten dient zich aan te melden aan de hand van zijn e-ID, Itsme of de andere technische mogelijkheden die door het toegangssysteem CSAM worden aangeboden.

Er zijn in dit geval meerdere mogelijkheden:

  • De onderneming is reeds gekend in het toegangssysteem CSAM en de persoon die in naam van de onderneming een aangifte wil indienen, heeft reeds toegangsrechten die zijn toegekend door de onderneming. In dit geval kan hij zich aanmelden als vertegenwoordiger van de onderneming.
  • De onderneming is reeds gekend in het toegangssysteem CSAM maar de persoon die in naam van de onderneming een aangifte wil indienen, heeft nog geen toegangsrechten die zijn toegekend door de onderneming. In dat geval kan de Hoofdtoegangsbeheerder van de onderneming die rechten toewijzen via de onlinedienst Toegangsbeheer. Als dit gebeurd is, kan hij zich aanmelden als vertegenwoordiger van de onderneming.
  • De onderneming is nog niet gekend in het toegangssysteem CSAM of de persoon die in naam van de onderneming een aangifte wil indienen, heeft nog geen toegangsrechten die zijn toegekend door de onderneming.
    In dit geval wordt ook toegelaten dat de persoon zich aanmeldt als burger met zijn e-ID, Itsme of de andere toegelaten systemen. Wanneer men zich aanmeldt als burger dient men in de aangifte te verklaren dat hij of zij als gevolmachtigde van de onderneming optreedt.De onderneming ontvangt altijd een bevestiging van de aangifte.
  • Heeft uw onderneming meerdere vestigingseenheden? In dit geval geschiedt de aangifte steeds per vestigingseenheid. Het is niet nodig dat één persoon in één keer alle aangiften voor de hele onderneming doet. U kan deze opdracht ook doorgeven aan één of meerdere lokale verantwoordelijken.
    Ondernemingen met meer dan 20 vestigingseenheden kunnen de gevraagde gegevens met betrekking tot alle vestigingseenheden indienen via de toepassing aan de hand van een gestructureerd excelbestand.

 

Wanneer moet de aangifte gebeuren?

De aangifte heeft betrekking op de situatie op de eerste werkdag van de maand en wordt uiterlijk ingediend op de zesde kalenderdag van de maand.

  • De situatie op de eerste werkdag van april 2021 dient aangegeven op uiterlijk dinsdag 6 april 2021
  • De situatie op de eerste werkdag van mei 2021 dient aangegeven op uiterlijk donderdag 6 mei 2021
  • De situatie op de eerste werkdag van juni 2021 dient aangegeven op uiterlijk zondag 6 juni 2021

 

Hoe vult u de aangifte in?

  1. Duid aan of uw onderneming over één of meerdere vestigingseenheden beschikt. Bij meerdere vestigingseenheden identificeert u de vestigingseenheid aan de hand van het vestigingseenheidsnummer.
    • Met vestigingseenheid wordt bedoeld: een plaats (gekend met een adres) waarop of van waaruit een hoofd- of nevenactiviteit van de onderneming wordt uitgeoefend (bv. exploitatiezetel, afdeling, atelier, fabriek, magazijn, bureau, winkel...). De vestigingseenheden van uw onderneming kunt u opzoeken in de Public Search van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
    • Elke vestigingseenheid is gekend in de Kruispuntbank van Ondernemingen met een eigen identificatienummer, het vestigingseenheidsnummer. Dit nummer is niet hetzelfde als ondernemingsnummer (KBO-nummer) van uw bedrijf.  Uw vestigingseenheidsnummers kunt u opzoeken in de Public Search van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
    • Ondernemingen met meer dan 20 vestigingseenheden kunnen de gevraagde gegevens met betrekking tot alle vestigingseenheden indienen via de toepassing aan de hand van een gestructureerd excelbestand.
       
  2. Vul het aantal personen werkzaam bij de onderneming in.
    • Het gaat om een foto van uw onderneming op de eerste werkdag van de maand (1 april, 3 mei en 1 juni).  Indien de onderneming over meerdere vestigingseenheden beschikt, dient het aantal personen werkzaam in de vestigingseenheid ingevuld te worden.
    • U vermeldt het totale aantal werknemers die de onderneming in dienst heeft (= gebonden door een arbeidsovereenkomst, leerovereenkomst, statuut,…). Voor flexi-werknemers wordt gekeken naar de lopende raamovereenkomsten. Langdurig zieken en personen in tijdskrediet worden ook meegeteld, evenals medewerkers met een ambulante functie (vb koeriers, inspecteurs,…).
    • Maakt uw onderneming op een structurele basis gebruik van uitzendkrachten of werkt er structureel personeel van een andere werkgever in uw vestigingseenheid (bijvoorbeeld onderaannemers, gedetacheerden, bewakingspersoneel,…), dan voegt u het aantal, dat op vermelde data bij u actief is, toe aan het totaal.
    • Dit geldt ook indien er in uw onderneming personen op zelfstandige basis structureel aan het werk zijn (consultants, vennoten, ...). Het gaat dus niet om punctuele aanwezigheden, zoals voor herstellingen, schoonmaak, onderhoud,... .
    • Uitzendkantoren moeten enkel het eigen personeel aangeven, niet de uitzendkrachten die in principe elders werkzaam zijn. Zij worden geteld bij de gebruiker. Hetzelfde geldt voor ondernemingen die personeel ter beschikking stellen van of structureel laten presteren in een andere onderneming.
       
  3. Vul het aantal personen werkzaam bij uw onderneming met een niet-telewerkbare functie in.
    • Met niet-telewerkbare functie wordt bedoeld, elke functie die van nature ter plaatse moet uitgevoerd worden, bijvoorbeeld arbeiders, technische bedienden, onthaalpersoneel, keukenpersoneel, schoonmaakpersoneel, administratieve medewerkers die hun opdrachten niet van thuis kunnen verrichten, ambulante functies zoals inspecteurs, koeriers, thuiszorg, … .
    • Het gaat om een foto van het aantal personen werkzaam in uw onderneming op de eerste werkdag van de maand. Indien de onderneming over meerdere vestigingseenheden beschikt, dient het aantal personen werkzaam in de vestigingseenheid ingevuld te worden. Personen die uitzonderlijk aanwezig zijn omdat zij bijvoorbeeld materiaal moeten ophalen, bepaalde documenten uitprinten of een evaluatiegesprek moeten houden, kunnen dit verantwoorden en worden niet opgenomen in het aantal niet-telewerkbare functies. Hetzelfde geldt voor directieleden en personen die behoren tot het lijnmanagement (bijvoorbeeld ploegbazen, teamchefs, ...).
    • Maakt uw onderneming op structurele basis gebruik van uitzendkrachten of werkt er structureel personeel van een andere werkgever in uw vestigingseenheid, dan voegt u het aantal personen zonder telewerkbare functie, dat op vermelde data bij u actief is, toe aan het totaal.
    • Hetzelfde geldt voor de personen die op zelfstandige basis structureel aanwezig zijn.
    • Zowel voor de vermelding van het totaal aantal werkzame personen als voor het aantal niet-telewerkbare functies, kan een wijziging / rechtzetting nog gebeuren door opnieuw een aangifte te doen met het totaal aantal werkzame personen in de onderneming / vestiging op de eerste werkdag van de maand en het aantal niet-telewerkbare functies. De laatst doorgestuurde aangifte vervangt de voorafgaande aangiftes.
       
  4. Vul de contactgegevens in waarop de overheid u kan bereiken voor verdere informatie.
     
  5. Controleer het overzicht van de aangifte, en dien uw aangifte in.

Na de aangifte wordt een ontvangstbevestiging gestuurd naar het opgegeven e-mailadres en naar de e-Box van de onderneming.

top

Verrekening vertrekvakantiegeld van een bediende bij veranderen werkgever

(23/03/2021)

Wanneer een bediende van werkgever verandert, krijgt hij vertrekvakantiegeld en een vakantieattest met vermelding van zijn vakantierechten. Als hij dan vervolgens vakantie opneemt bij zijn nieuwe werkgever, moet deze bij de uitbetaling van het enkel vakantiegeld rekening houden met het vertrekvakantiegeld dat de vroegere werkgever reeds betaald heeft.

Uit briefwisseling van de FOD WASO en de Inspectie Toezicht op de Sociale Wetten, blijkt dat bij de berekening van het enkel vakantiegeld de nieuwe werkgever het vertrekvakantiegeld moet verrekenen in verhouding tot het aantal opgenomen vakantiedagen. De regel opgenomen in de instructies RSZ dat de nieuwe werkgever het vertrekvakantiegeld éénmalig moet verrekenen wanneer de bediende zijn hoofdvakantie opneemt, wordt dan ook geschrapt.

Wanneer het loon van de bediende bij zijn nieuwe werkgever hoger is dan het loon dat hij had bij zijn vorige werkgever, zal zijn nieuwe werkgever telkens bij het opnemen van vakantiedagen een berekening moeten doen om het vertrekvakantiegeld voor deze dagen nog aan te vullen tot het enkel vakantiegeld waarop de werknemer recht heeft.

Concreet:

  • vakantieattest 2020 (volledig jaar):
    • enkel vakantiegeld 1917,50 EUR
    • dit komt neer op 1917,50 / 20 EUR = 95,875 EUR per vakantiedag
  • vakantie 2021, bij opname van bijvoorbeeld 5 dagen in april 2021
    • maandloon bij nieuwe werkgever: 3000,00 EUR / maand
    • enkel vakantiegeld:
      • looncode 12:    5 / 20 x 1917,50 = 479,38 EUR
      • looncode 1:    (5 / 22 x 3000,00) - 479,38 = 202,44 EUR
    • gewone dagen voor de maand april:
      • looncode 1:    17 / 22 x 3000,00 = 2318,18 EUR

De voorbeelden in de instructies RSZ zullen aangepast worden bij de eerstvolgende publicatie.

top

Brexit maatregelen

(17/03/2021)

De wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, voorziet in een aantal maatregelen voor werkgevers in economische moeilijkheden als gevolg van de Brexit.

Het gaat om werkgevers die door de minister van Werk worden erkend als zijnde een werkgever die wordt getroffen door een daling van ten minste 5 % van de omzet, van de productie of van het aantal bestellingen als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. De aanvragen tot erkenning moeten gebeuren bij de Directie van de Begeleiding van de werkgevers in moeilijkheden en in herstructurering van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO).

De maatregelen gaan in op 22 maart 2021 en lopen af op 21 maart 2022 en kunnen enkel toegepast worden tijdens de periode van erkenning. Meer informatie zal nog opgenomen worden op de pagina 'Tijdelijke crisismaatregelen in het kader van de Brexit ' van de FOD WASO.

Tijdelijke collectieve arbeidsduurvermindering - Brexit maatregel

Zoals de tijdelijke collectieve arbeidsduurvermindering in het kader van de coronacrisis, is het de bedoeling de kosten voor de werkgever tijdelijk te verminderen en de tewerkstelling te behouden, door een arbeidsduurvermindering in te voeren met (overeenkomstig) loonverlies. Het gaat enkel om werkgevers uit de privé-sector.

Dezelfde modaliteiten worden toegepast als de tijdelijke collectieve arbeidsduurvermindering - coronamaatregel. Dit wil zeggen:

  • voor werknemers die tot een categorie van werknemers behoren die tijdelijk overgegaan zijn tot een effectieve arbeidsduurvermindering met 1/4de of 1/5de
  • zowel voor deeltijdsen als voor voltijdsen
  • deeltijdsen waarbij enkel het gemiddeld aantal uren per week van de maatman, maar niet van de werknemer zelf, vermindert met 1/4de of 1/5de, komen voor de bijdragevermindering niet in aanmerking
  • dezelfde verminderingsforfaits zijn van toepassing
  • de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en invoering van de vierdagenweek moeten worden vastgesteld
    • bij CAO op ondernemingsniveau of
    • (bij afwezigheid van een vakbondsafvaardiging) bij een wijziging van het arbeidsreglement.
  • enkel werkgevers die minstens 3/4de van de werkgeversbijdragevermindering aanwenden om als complement bij het loon van de werknemers te voegen ter compensatie van het loonverlies van hun werknemers, komen in aanmerking
  • aangifte van het complement met looncode 5.

 

Tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen

Gedurende de periode van erkenning kan de werkgever gebruik maken van het systeem van tijdelijke werkloosheid om economische redenen. Toelichtingen en procedures kan men terugvinden op www.rva.be.

Deze dagen / uren worden aangegeven met

  • prestatiecode 71: economische werkloosheid (arbeiders)
  • prestatiecode 76: schorsingsdagen bedienden wegens werkgebrek.

 

Tijdelijke individuele vermindering van de arbeidsprestaties

Het systeem van crisistijdskrediet laat toe dat een werknemer in overleg met of op voorstel van zijn werkgever zijn arbeidsprestaties vermindert tot een 4/5de of 1/2de betrekking.

Zij worden op dezelfde manier aangegeven als 'werknemers met gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan', dus met 'MRA-code' 4 en met een aangepast 'gemiddeld aantal uren per week van de werknemer'. De maatman blijft ongewijzigd.

 

 

top

Vergoeding voor thuiswerk

(04/03/2021)

Op 26 februari 2021 heeft de FOD Financiën een fiscale circulaire gepubliceerd met uitvoerige richtlijnen betreffende de tussenkomsten van de werkgever voor thuiswerk (Circulaire 2021/C/20). De in deze circulaire opgenomen principes komen heel sterk overeen met de manier waarop de RSZ in het verleden deze kostenvergoeding reeds toepaste. De RSZ heeft dan ook beslist deze circulaire volledig te volgen voor wat betreft de kwalificatie van ter beschikking stelling van materiaal en terugbetalingen in het kader van kosten verbonden aan thuiswerk.

Dat wil ook zeggen dat als er twijfel bestaat of iets al dan niet als loon moet worden beschouwd bij terugbetalingen van kosten waarvan men denkt dat ze ten laste zijn van de werkgever, in eerste instantie verwezen wordt naar deze circulaire.

In grote lijnen gaat deze circulaire over:

  • terugbetalingen
    • kantoorkosten
    • kosten kantoormeubilair / informaticamateriaal
    • kosten professioneel gebruik internetaansluiting en -abonnement
    • kosten professioneel gebruik privécomputer
    • kosten professioneel gebruik van eigen tweede computerbeeldscherm, printer/scanner zonder privécomputer (met een nieuw forfait van 5,00 EUR/maand per toestel en een maximum van 10,00 EUR/maand  voor alle toestellen samen)
  • voordeel voortvloeiend uit het ter beschikking stellen van
    • kantoormeubilair / informaticamateriaal.

Het gaat om

  • thuiswerk,
    • dus over werk uitgevoerd in de private lokalen van de werknemer dat ook op de werkvloer van de werkgever kan worden uitgevoerd
    • op normale werkdagen en tijdens normale werkuren.

Een werkgever kan aan werknemers die structureel en op regelmatige basis een substantieel deel van hun arbeidstijd aan thuiswerk doen een forfaitaire kantoorvergoeding van maximum 129,48 EUR per maand toekennen, zowel voor deeltijdse als voor voltijdse werknemers. Onder structureel en regelmatig wordt verstaan het equivalent van 1 werkdag per week zowel voor de deeltijdse als voor voltijdse werknemers. Dit kan op maandbasis op verschillende manieren georganiseerd worden (zonder proratisering):

  • 1 kalenderdag / week
  • 2 1/2de werkdagen : week
  • 2 uur/dag in 5-dagenweek
  • 1 week / maand.

Het bedrag van 129,48 EUR is een maximumbedrag. Er mag dus ook een kleiner bedrag toegekend worden, maar het is niet verplicht het bedrag te proratiseren bij deeltijdse prestaties.

Daarnaast kan nog een extra vergoeding gegeven worden voor

  • van maximum 20,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van een privé-internetaansluiting en -abonnement EN
  • van maximum 20,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van de privécomputer met randapparatuur
    • OF van maximum 10,00 EUR/maand voor het professioneel gebruik van een eigen tweede computerbeeldscherm, printer/scanner zonder privécomputer (5,00 EUR/maand per item gedurende maximaal 3 jaar).

Er is een verhoging voorzien van de maandelijkse maximum vergoeding van 129,48 EUR naar 144,31 EUR voor de maanden april, mei en juni 2021.

top

Premie voor de compensatie van RSZ-bijdragen van het 3de kwartaal 2020 - toeleveranciers update 25/01/2021 - coronamaatregel

(25/01/2021)

Maatregel voor de toeleveranciers van werkgevers die verplicht hebben moeten sluiten op basis van de ministeriële besluiten van 28/10/2020 en 01/11/2020.

Om de financiële gevolgen van de coronacrisis te verlichten, heeft de regering nieuwe maatregelen genomen om de werkgevers van bepaalde zwaar getroffen sectoren te ondersteunen. Zo werd een compensatieregeling uitgewerkt voor toeleveranciers van ondernemingen die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten. Deze regeling voorziet in een compensatie die gelijk is aan de verschuldigde netto patronale basisbijdragen en de patronale solidariteitsbijdrage voor studenten voor hetzij het 1ste kwartaal 2020, hetzij het 3de kwartaal 2020, waarbij het meest gunstige bedrag van de twee wordt toegekend.

Een koninklijk besluit dat deze aangelegenheid regelt, werd op 16 december 2020 ondertekend.

 

I Toepassingsgebied en voorwaarden van de maatregel

Deze maatregel is van toepassing

  • op werkgevers uit de privésector
  • die nog actief zijn aan het eind van het 3de kwartaal, nl. op 30 september 2020.
  • die toeleveranciers zijn van ondernemingen die verplicht hebben moeten sluiten op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020. Er moet een rechtstreeks verband bestaan tussen de toeleverancier en de onderneming die verplicht moest sluiten om deze maatregel te kunnen genieten. Werkgevers die leveren aan toeleveranciers van een onderneming die verplicht heeft moeten sluiten, kunnen deze maatregel niet genieten.

Notie van toeleverancier in het kader van de maatregel

Om deze maatregel te kunnen genieten, moeten de werkgevers in 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteerde uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten. Ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, moeten in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn.

Werkgevers die de premie aanvragen, moeten voor de RSZ bewijsstukken ter beschikking houden van het feit dat ze leveren aan de bedrijven die verplicht hebben moeten sluiten voor het publiek, voor minstens 20% van hun omzet van 2019 of 2020, al naargelang het geval.

Ondernemingen waarvan men rechtstreekse toeleverancier moet zijn, zijn de ondernemingen die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten en die tot de volgende sectoren behoren :

  • inrichtingen die behoren tot de sector van de horeca (PC 302) en andere eet- en drinkgelegenheden, met uitzondering van hotels, vakantieverblijven en grootkeukens voor verblijf-, school-, leef- en werkgemeenschappen, die zijn uitgesloten vermits zij niet verplicht gesloten waren voor het publiek;
  • discotheken, dancings en dergelijke;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de organisatie van congressen en beurzen;
  • ondernemingen uit het ‘vermakelijkheidsbedrijf’;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de filmvertoning;
  • exploitanten van kermisattracties
  • casino's;
  • pret- en dierenparken, de historische sites en monumenten en musea;
  • ondernemingen die deel uitmaken van de sportsector;
  • rijscholen;
  • garages, handels in voertuigen en carwashbedrijven op voorwaarde dat deze moesten sluiten voor het publiek;
  • onderneming die deel uitmaken van de sector van de detailhandel;
  • onderneming die behoren tot de kappers- en schoonheidszorgsectoren;
  • welnesscentra;
  • tatoeage- en piercingsalons;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de dierenverzorging;
  • ondernemingen die behoren tot de sector van de buitenschoolse opleiding en de verenigingen, op voorwaarde dat ze moesten sluiten voor het publiek.

 

Er bestaan 3 categorieën van werkgevers op wie deze maatregel van toepassing is.

Categorie 1: BTW-plichtige werkgevers die een periodieke BTW-aangifte indienen

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteerde uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling van minstens 65% van de omzet hebben, resulterend uit verrichtingen die in kader 2 moeten worden opgenomen van de periodieke BTW-aangiften, bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het BTW-wetboek, ten opzichte van de omzet, resulterend uit diezelfde verrichtingen die in de periodieke BTW-aangiften voor het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020 moesten worden opgenomen,
    • of in het 4de kwartaal 2020 een effectieve daling van minstens 65% van de omzet hebben, resulterend uit de verrichtingen die in kader 2 moeten worden opgenomen van de periodieke BTW-aangiften, bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het BTW-wetboek, ten opzichte van de omzet uit diezelfde verrichtingen die in de periodieke BTW-aangiften voor het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020 moesten worden opgenomen.

Categorie 2: BTW-plichtige werkgevers die geen periodieke BTW-aangifte indienen

Het betreft

  • kleine ondernemingen die hebben geopteerd voor de vrijstellingsregeling indien hun jaarlijkse omzet niet meer bedraagt dan 25.000,00 EUR
  • ondernemingen die onder de bijzondere landbouwregeling vallen
  • ondernemingen die deel uitmaken van een BTW-eenheid die de BTW-aangiften uitvoert voor de volledige eenheid.

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten voor het publiek, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet hebben die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling hebben van minstens 65% van de bij de RSZ aangegeven loonmassa ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

Categorie 3: werkgevers die niet BTW-plichtig zijn

Deze werkgevers kunnen aanspraak maken op de maatregel als zij aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

  • In 2019 een omzet hebben behaald die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, in 2020 een omzet behalen die voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die voor het publiek gesloten zijn
  • en in het 2de kwartaal 2020 een effectieve daling hebben van minstens 65% van de bij de RSZ aangegeven loonmassa ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de  kwartaal 2019 of het 3de  kwartaal 2020.

 

 

II Procedure

Stap 1: Aanvraag van de premie bij de RSZ via een online toepassing

Categorie 1: BTW-plichtige werkgevers die een periodieke BTW-aangifte indienen

Om de maatregel te kunnen genieten, moeten deze werkgevers een aanvraag bij de RSZ indienen via een online toepassing  waarin zij aangeven

  • dat hun omzet in 2019 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, dat hun omzet in 2020 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die verplicht moesten sluiten
  • en dat er in het 2de kwartaal 2020 een daling van hun omzet van minstens 65% heeft plaatsgevonden ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

Categorie 2: BTW-plichtige werkgevers die geen periodieke BTW-aangifte indienen en categorie 3: werkgevers die niet BTW-plichtig zijn

Om de maatregel te kunnen genieten, moeten deze werkgevers een aanvraag bij de RSZ indienen via een online toepassing  waarin zij aangeven

  • dat hun omzet in 2019 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bedrijven die op basis van de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020 verplicht moesten sluiten, of, voor ondernemingen die hun activiteiten in 2020 hebben aangevat, dat hun omzet in 2020 voor minstens 20% resulteert uit goederen en/of diensten, geleverd aan de bovenvermelde bedrijven die verplicht moesten sluiten
  • en dat er in het 2de kwartaal 2020 een daling van de aangegeven loonmassa van minstens 65% heeft plaatsgevonden ten opzichte van het 2de kwartaal 2019 of het 1ste kwartaal 2020,
    • of in het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het 4de kwartaal 2019 of het 3de kwartaal 2020.

De ESS en de dienstverrichters kunnen deze aanvraag indienen voor de werkgevers waarvoor zij bij de RSZ als mandataris voor de DmfA bekend staan.

Opgelet

De aanvragen op basis van de daling met ten minste 65 % van de omzet of de loonmassa van het 2de kwartaal 2020 en/of  het 4de kwartaal 2020 ten opzichte van het voorgaande kwartaal of van het overeenstemmende kwartaal van 2019, moeten ten laatste tegen 15 februari 2021 bij de RSZ worden ingediend. De RSZ onderzoekt de aanvragen zowel op basis van het 2de kwartaal 2020 als op basis van het 4de kwartaal 2020.

 

Stap 2: verzending van een ontvangstbevestiging van de aanvraag

Werkgevers die een aanvraag van de premie 'toeleverancier' bij de RSZ hebben ingediend, ontvangen in hun e-box een elektronisch overzicht van hun aanvraag.

Werkgevers voor wie de mandataris de aanvraag heeft ingediend, ontvangen in hun e-box een elektronisch overzicht van de aanvraag.

 

Stap 3: Berekening van het bedrag van de premie

Na de controle van de voorwaarden voor de toekenning van de premie, zal de RSZ het bedrag berekenen voor de werkgevers die er recht op hebben.

De premie is gelijk aan het bedrag van de verschuldigde netto patronale basisbijdragen en de patronale solidariteitsbijdrage voor studenten voor hetzij het 1ste kwartaal 2020, hetzij het 3de kwartaal 2020, waarbij het meest gunstige bedrag van de twee wordt toegekend.

De premie wordt berekend voor alle werknemers en studenten van de betrokken werkgevers, met uitzondering van de flexi-jobs en de specifieke werknemers die niet in de DmfA werden aangegeven, zoals de vrijwilligers.

Onder netto patronale basisbijdragen wordt begrepen de patronale basisbijdragen, met inbegrip van de loonmatigingsbijdrage, verminderd met de structurele verminderingen en de doelgroepverminderingen.

Zijn niet in het toepassingsgebied opgenomen:

  • de werknemersbijdragen
  • de bijzondere werkgeversbijdragen, waaronder:
    • de bijdrage bestemd voor het stelsel voor jaarlijkse vakantie der handarbeiders
    • de bijdrage 1,60% of 1,69%
    • de bijdrage risicogroepen
    • de bijdragen bestemd voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen
    • de bijdragen bestemd voor een Fonds voor Bestaanszekerheid
    • De bijdragen voor de 2de pensioenpijler

Onder de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten, wordt begrepen, het gedeelte van de solidariteitsbijdrage ten laste van de werkgever (5,42%).

Het bedrag van de premie zal in 4 gelijktijdige stappen worden berekend:

  • Stap 1: berekening van het bedrag op basis van de gegevens van het 1ste kwartaal 2020
    Dit bedrag is gelijk aan
    • het bedrag van de netto patronale basisbijdrage van het 1ste kwartaal 2020
    • vermeerderd met het bedrag van de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten betreffende het 1ste kwartaal 2020
  • Stap 2: berekening van het bedrag op basis van de gegevens van het 3de kwartaal 2020
    Dit bedrag is gelijk aan
    • het bedrag van de netto patronale basisbijdrage van het 3de kwartaal 2020
    • vermeerderd met het bedrag van de patronale solidariteitsbijdrage, verschuldigd voor de studenten betreffende het 3de kwartaal 2020
  • Stap 3: vergelijking van de 2 bedragen
    • Het hoogste bedrag van de 2 wordt in aanmerking genomen.
  • Stap 4: eventuele vergelijking van het bedrag van de premie, toegekend aan de werkgevers die, in overeenstemming met de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020 en 1 november 2020, verplicht hebben moeten sluiten of die door de coronamaatregelen zwaar getroffen zijn (premie 'sluiting'), met het bedrag van de premie, toegekend op basis van de huidige nota (premie 'toeleverancier')
    • Als de werkgever reeds een premie 'sluiting' genoten heeft en hij ook recht heeft op de premie 'toeleverancier', zal de RSZ de 2 bedragen vergelijken.
    • Het bedrag van de premie 'toeleverancier' zal gelijk zijn aan het verschil tussen de premie 'sluiting' en de premie 'toeleverancier' die werd berekend.

Werkgevers kunnen slechts één maal op deze premie aanspraak maken. Indien de premie wordt toegekend op basis van de verklaring van de daling van de omzet of de loonmassa van het 2de kwartaal, dan is deze premie verworven. Ze zal echter geen 2de keer worden toegekend als de werkgever op basis van de daling van de omzet of de loonmassa van het 4e kwartaal een aanvraag indient, ook niet indien er effectief een daling in omzet of loonmassa heeft plaatsgevonden in het 2de en het 4de kwartaal.

 

Stap 4: Mededeling aan de werkgever van het recht op de premie en het bedrag

De RSZ zal de werkgevers meedelen of ze op basis van de bovenstaande voorwaarden al dan niet recht hebben op de premie, en zo ja, hoeveel die bedraagt. Werkgevers die er voor gekozen hebben om hun documenten enkel via hun e-Box Enterprise te ontvangen (opt in), zullen deze informatie enkel  elektronisch via een e-mail in hun e-box ontvangen. De andere werkgevers ontvangen deze informatie ook op papier.

 

Stap 5: Storting van de premie op de werkgeversrekening bij de RSZ

Voor werkgevers die recht hebben op de premie op basis van de daling van hun omzet of loonmassa in het 2de kwartaal 2020 stort de RSZ zo snel mogelijk het bedrag van de premie op de rekening van de werkgever bij de RSZ.

De premie zal in eerste instantie worden aangewend om de bijdragen voor het 1ste kwartaal 2021  en vervolgens om de eventuele andere verschuldigde bedragen te betalen. Ze zal hierbij eerst op de oudste schuld worden toegerekend, overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969.  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken.  Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo worden aangewend voor de eerstvolgende bedragen die aan de RSZ verschuldigd zijn.

Voor werkgevers die recht hebben op de premie op basis van de daling van hun omzet of loonmassa in het 4de kwartaal 2020, stort de RSZ, zodra dit mogelijk is, het bedrag van de premie op de rekening van de werkgever bij de RSZ.

De premie zal in eerste instantie worden aangewend om de bijdragen voor het 2de kwartaal 2021 en vervolgens om de eventuele andere verschuldigde bedragen te betalen. Ze zal hierbij eerst op de oudste schuld worden toegerekend, overeenkomstig artikel 25 van de wet van 27 juni 1969.  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken.  Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo worden aangewend voor de eerstvolgende bedragen die aan de RSZ verschuldigd zijn.

top

Verlenging geldigheidsduur consumptiecheque en maaltijd-, eco-, geschenk-, sport- en cultuurcheques - coronamaatregel

(08/01/2021)

Om de begunstigden van de verschillende cheques toe te laten deze te gebruiken zonder keuzebeperking als gevolg van de huidige sluitingen, wordt de geldigheid ervan verlengd. Dit laat ondernemingen ook toe ze te aanvaarden na de oorspronkelijke geldigheidsdatum.

Het gaat om volgende verlengingen:

  • Consumptiecheques (elektronische en papieren)
    • --> verlenging geldigheidsduur tot en met 31 december 2021
    • consumptiecheques in sectoren die beslist hebben over de toekenning ervan na een financieringsbeslissing van de subsidiërende federale overheid of gefedereerde entiteit in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020, mogen toegekend worden tot en met 30 juni 2021; het gaat om de eenmalige solidariteitspremie volgens het systeem van de consumptiecheque voor het personeel van de federale gezondheidssectoren
  • Maaltijdcheques (enkel elektronische):
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, worden heruitgegeven ten belope van hetzelfde bedrag voor zover zij niet werden verlengd, opnieuw met een geldigheidsduur van 12 maanden
  • Ecocheques (elektronische en papieren):
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, worden heruitgegeven ten belope van hetzelfde bedrag voor zover zij niet werden verlengd, opnieuw met een geldigheidsduur van 24 maanden
  • Sport- en cultuurcheques:
    • waarvan de vervaldatum 30 september 2020 is --> verlenging geldigheidsduur tot en met 30 september 2021
  • Geschenkcheques:
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 maart tot en met 30 juni 2020 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden
    • waarvan de geldigheidsduur afloopt gedurende periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 --> verlenging geldigheidsduur met 6 maanden

Dit houdt dus in dat wanneer de geldigheidsduur eerder verlengd werd, de verlengde geldigheidsduur bepalend is om na te gaan of er nog sprake kan zijn van een verlenging.

(koninklijk besluit van 20 mei 2020 - BS van 29 mei 2020; 2 koninklijke besluiten van 22 december 2020 - BS van 29 december 2020; programmawet van 20 december 2020 - BS van 30 december 2020; koninklijk besluit van 28 december 2020 - BS van 31 december 2020)

top